ABRvS 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0133
Het herziene besluit op bezwaar is hangende het beroep bij de Rb. genomen en heeft ertoe geleid dat de zorgtoeslag op grond van art. 21 lid 1 Awir is verlaagd tot nihil, waardoor appellante sub 1 door het aanwenden van een rechtsmiddel in een ongunstiger positie is geraakt. Daarvoor is een afzonderlijke, los van bezwaar of beroep bestaande, wettelijke grondslag vereist. Het recht op zorgtoeslag vindt zijn grondslag in de Wzt, die aanspraak geeft op een financiële bijdrage van het Rijk waarbij de hoogte van die financiële bijdrage afhankelijk is van de draagkracht van de begunstigde. De Wzt is daardoor een inkomensafhankelijke regeling waarop de Awir van toepassing is. Bij het besluit van 10 juni 2010 heeft de aan appellante sub 1 toegekende zorgtoeslag over 2007 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitieve tegemoetkoming ten nadele van de belanghebbende te herzien, zoals hier aan de orde, zijn in de artt. 20 en 21 van de Awir geregeld. Uit het besluit van 10 juni 2010 volgt dat de hoogte van de toeslag is gebaseerd op het toetsingsinkomen en dat de Belastingdienst/Toeslagen voor de berekening van de hoogte van de zorgtoeslag is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 8.565,00. In de toelichting bij dat besluit is voorts vermeld dat het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag uit het inkomen van de aanvrager en dat van de toeslagpartner bestaat, en dat het ook buitenlandse inkomsten die in Nederland niet belast zijn omvat. Gelet hierop en op het besluit van de inspecteur van 16 februari 2010 kon appellante sub 1 dan ook weten dat het niet in Nederland belastbare inkomen van haar toeslagpartner ten onrechte niet bij de berekening van de toeslag was betrokken en had zij behoren te weten dat de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld indien dat inkomen wel bij die berekening was betrokken. Appellante sub 1 is gehuwd en zij leeft niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot. Gelet op art. 3, aanhef en onder a, van de Awir moet de echtgenoot dan ook worden aangemerkt als partner in de zin van die wet en de Wzt, ook wel toeslagpartner genoemd. Uit art. 5 van de Wzt volgt voorts dat de Belastingdienst/Toeslagen belast is met de uitvoering van de Wzt, waaronder de vaststelling van de hoogte van de zorgtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dan ook een zelfstandige bevoegdheid om, met inachtneming van de Awir en de Wzt, bij de bepaling van de aanspraak op zorgtoeslag een persoon als toeslagpartner aan te merken. Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004 L 166), die op 20 mei 2004 in werking is getreden en per 1 mei 2010 van toepassing is en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009 L 284), die op 1 mei 2010 in werking is getreden staan niet in de weg aan de toepassing van het partnerbegrip in de zin van de Awir. Uit zowel art. 28, lid 1, aanhef en onder b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, als art. 29 van Verordening (EG) nr. 883/2004, volgt dat voor de toekenning van de zorgtoeslag de Nederlandse wetgeving leidend is, zodat de Belastingdienst/Toeslagen bij de beoordeling of recht bestond op zorgtoeslag, de bepalingen uit de Wzt en de Awir mocht en moest toepassen. Het CVZ is het orgaan dat de kosten voor de in het woonland - in dit geval Duitsland - verleende verstrekkingen voor zijn rekening neemt, terwijl het bevoegde orgaan voor de betaling van de zorgtoeslag de Belastingdienst/Toeslagen is. Het arrest van het Hof van Justitie van 18 juli 2006, C-50/05, Nikula, LJN: AZ0894, heeft gevolgen voor de berekening van ziektekostenpremies van dubbelgepensioneerden. In dit arrest is bepaald dat art. 33, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 meebrengt dat een lidstaat bij de grondslag voor heffing van bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekering rekening mag houden met pensioenen uit een andere lidstaat, maar dat de bijdrage of premie niet hoger mag zijn dan de in de lidstaat, waar de betrokkene woont, uitgekeerde pensioenen. Het gaat in deze zaak echter om zorgtoeslag. De situatie die zich in het arrest Nikula voordeed en die aanleiding heeft gegeven tot vaststelling van het Nikula-besluit, doet zich hier dan ook niet voor. De zorgtoeslag is geen premie of equivalente daarvan die wordt ingehouden op de door de staat van de woonplaats uitgekeerde pensioenen of renten, maar een tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen geen rekening mocht houden met het niet in Nederland belastbaar inkomen van de toeslagpartner van appellante sub 1. Belastingdienst/Toeslagen was bevoegd met toepassing van art. 21, lid 1, aanhef en onder b, van de Awir de vastgestelde zorgtoeslag te herzien en op nihil te stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl