ABRvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9056
Er moet van worden uitgegaan dat de kandidatenlijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 eerder op grond van de Wob openbaar zijn gemaakt. Dit brengt met zich dat de Wob in zoverre niet van toepassing was op het verzoek, nu de plicht tot openbaarmaking ingevolge de Wob geen betrekking heeft op informatie die reeds openbaar is. De reactie van de burgemeester op het verzoek van appellante is daarom in zoverre niet op rechtsgevolg gericht en derhalve geen besluit in de zin van art.1:3, lid 1 van de Awb. Met betrekking tot de kandidatenlijsten van 2010 heeft de burgemeester geweigerd de daarop vermelde adresgegevens en geboortedata openbaar te maken. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 5-9-2012, 201107018/1/A3, LJN: BX6488, dat nu de betrokken kandidaten onder meer hun adresgegevens op de kandidatenlijsten hebben laten vermelden, zij kunnen worden geacht te hebben ingestemd met de in de Kieswet geregelde terinzagelegging van de lijsten met die gegevens gedurende de verkiezingsperioden. Zoals eveneens volgt uit die uitspraak, kan de terinzagelegging van de kandidatenlijsten gedurende de verkiezingsperioden echter niet gelijk worden gesteld met openbaarmaking in de zin van de Wob. Het laten vermelden van de adresgegevens kan daarom niet worden aangemerkt als instemming van de kandidaten met openbaarmaking van die gegevens als bedoeld in art.10, lid 3 van de Wob. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de kandidaten volledig afstand hebben gedaan van de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer wat betreft deze gegevens. Bij de inventarisatie heeft evenwel een deel van de kandidaten verklaard geen bezwaar te hebben tegen verstrekking van de kandidatenlijst waarop het adres van de betrokkene en diens geboortedatum niet onleesbaar zijn gemaakt. Deze kandidaten, voor zover zij een ondubbelzinnige verklaring in die zin hebben afgelegd, kunnen worden geacht te hebben ingestemd met openbaarmaking van de gegevens in de zin art. 10, lid 3 van de Wob. De burgemeester heeft ten aanzien van de adresgegevens en geboortedata van die kandidaten art. 10, lid 2, aanhef en onder e, van de Wob ten onrechte van toepassing geacht. De burgemeester heeft naar voren gebracht dat, waar de overgrote meerderheid van de kandidaten uitdrukkelijk bezwaar had tegen de verstrekking van de persoonlijke gegevens, of daarmee niet heeft ingestemd, hij in alle gevallen dezelfde door art. 10, lid 2, aanhef en onder e, van de Wob voorgeschreven belangenafweging heeft gemaakt. Nu echter ingevolge art. 10, lid 3 van de Wob deze belangenafweging achterwege dient te blijven ten aanzien van de kandidaten die hebben ingestemd met openbaarmaking, had de burgemeester een onderscheid dienen te maken tussen de kandidaten die wel hebben ingestemd met openbaarmaking van de gegevens en de kandidaten die daar niet mee hebben ingestemd. De burgemeester dient dit onderscheid alsnog te maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl