ABRvS 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3947
Verlenen drank- en horecavergunning voor de uitoefening van een horecabedrijf in een horeca-inrichting. Uit art. 27, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met art. 10 van de DHW volgt dat het college bij de behandeling van een aanvraag om een drank- en horecavergunning als bedoeld in art. 3 van de DHW dient te toetsen of de inrichting waarvoor die vergunning wordt gevraagd, voldoet aan de sociaal-hygiënische eisen die zijn neergelegd in het Besluit DHW. Anders dan de rb. is de Afdeling van oordeel dat uit art. 2 van het Besluit DHW en de NvT niet volgt dat onder die eisen mede het voldoen aan het Bouwbesluit 2003 moet worden begrepen. De verwijzing naar het Bouwbesluit 2003 is slechts opgenomen om duidelijk te maken dat naast de sociaal-hygiënische eisen, zoals neergelegd in het Besluit DHW, een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend tevens moet voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 daaraan stelt. Dat dit niet de sociaal-hygiënische eisen zijn als bedoeld in artikel 10 gelezen in verbinding met art. 27 van de DHW, vindt steun in het algemene deel van de NvT. Daaruit volgt immers dat de eisen die grond voor weigering van een drank- en horecavergunning zijn - vooralsnog - zijn uitgeschreven in het Besluit DHW.
De uitspraak op rechtspraak.nl