ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3383

Besluit waarbij een vergunning als bedoeld in art. 8.1 van de Wm is verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het beoefenen van het paintballspel. De Afdeling beoordeelt allereerst de vraag of appellanten nog belang hebben bij een uitspraak op hun beroepen. Daartoe overweegt de Afdeling dat op 1 januari 2013 het Besluit van 31 oktober 2012 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten, integratie Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer, vereenvoudigingen en reparaties in het Activiteitenbesluit milieubeheer) (hierna: het wijzigingsbesluit) in werking is getreden. Voorts is op die datum in werking getreden het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer), waarbij de citeertitel van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is gewijzigd in Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het wijzigingsbesluit zijn het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. In art. II, aanhef en onderdeel G, aanhef en onder 12, van het wijzigingsbesluit is bepaald dat Bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht als volgt wordt gewijzigd: categorie 19.4, onderdeel f, vervalt en onderdeel g wordt geletterd tot f. In bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht categorie 19.4, onderdeel f (oud), stond het beoefenen van het paintballspel genoemd als vergunningplichtige activiteit. Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat ondanks het vervallen per 1 januari 2013 van bijlage I, onderdeel C, categorie 19.4, onderdeel f (oud), van het Besluit omgevingsrecht, paintballinrichtingen desalniettemin vergunningplichtig zijn gebleven omdat deze zijn aan te merken als ‘inrichtingen aangewezen voor het schieten in de open lucht met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk, met uitzondering van inrichtingen voor het traditioneel schieten’ als bedoeld in categorie 19.4, onderdeel f (nieuw). De regelgever heeft bij de invoering van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (oud, Stb. 2007, 415) ervoor gekozen om in Bijlage 1, onderdeel cc, van dat besluit inrichtingen voor het beoefenen van het paintballspel te onderscheiden van inrichtingen voor het schieten in de open lucht met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk. Deze twee categorieën inrichtingen waren afzonderlijk genoemd in Bijlage 1, aanhef en onderdeel cc, onder 6o, onderscheidenlijk onder 7o, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Met de inwerkingtreding van het Besluit omgevingsrecht op 1 oktober 2010 is dit onderscheid voortgezet in categorie 19.4, onderdeel f (oud), onderscheidenlijk g (oud), van Bijlage I, van het Besluit omgevingsrecht. Het bij het wijzigingsbesluit schrappen van categorie 19.4, onderdeel f (oud), heeft dan ook niet tot gevolg dat inrichtingen voor het paintballspel thans desalniettemin vergunningplichtig zijn ingevolge categorie 19.4, onderdeel f (nieuw). Dit blijkt ook uit de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit (Stb. 2012, 558, blz. 149), waarin is vermeld dat met de aanpassing van categorie 19.4 is beoogd inrichtingen voor het paintballspel niet langer vergunningplichtig te laten zijn. (…) Art. 6.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer was aanvankelijk alleen van toepassing op het Barim zoals dat per 1 januari 2008 in werking is getreden. Per 1 januari 2010 is, met het oog op de toen ingevoerde uitbreiding en latere uitbreidingen van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer, art. 6.1 gewijzigd opdat het daarin vervatte overgangsrecht ook op die uitbreidingen van toepassing is. Daartoe bepaalt dit artikel, laatstelijk gewijzigd bij het wijzigingsbesluit, dat als voor een inrichting waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van het Activiteitenbesluit milieubeheer of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, een vergunning in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van het Activiteitenbesluit milieubeheer of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen als maatwerkvoorschriften worden aangemerkt, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Nu de bij het bestreden besluit verleende vergunning niet voor 1 januari 2013 onherroepelijk was, zijn er geen voorschriften die ingevolge art. 6.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Aangezien voor het overige geen relevant overgangsrecht bestaat, geldt dat voor de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten vanaf 1 januari 2013 geen vergunning is vereist. De door appellanten met hun beroepen beoogde vernietiging, geheel of gedeeltelijk, van het bestreden besluit heeft geen gevolgen voor de mogelijkheid om ter plaatse een paintball-inrichting te drijven. Vanaf meergenoemde datum gelden uitsluitend de rechtstreeks werkende voorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gelet hierop hebben appellanten geen belang meer bij beoordeling van de vraag of het college de vergunning heeft mogen verlenen, nu ook niet aannemelijk is geworden dat appellanten door het bestreden besluit schade hebben geleden. Derhalve is hun procesbelang vervallen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen