ABRvS 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2525

Op 26 januari 2010 heeft de raad de Beleidsregel Vergoeding raadplegen raadsman, voorafgaand aan of bij het politieverhoor van de Raden voor rechtsbijstand te Amsterdam, Arnhem, Den Haag, ’s-Hertogenbosch en Leeuwarden (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld, die op 1 april 2010 in werking is getreden. In de toelichting hierop is vermeld dat de achtergrond ervan het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008, Salduz tegen Turkije, nr. 36391/02 LJN: BH0402 is, waaruit volgt dat een aangehouden verdachte in de gelegenheid moet worden gesteld, voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie, een advocaat te raadplegen. Omdat het Bvr 2000 op dat moment niet in de verstrekking van vergoedingen aan een advocaat voor de door hem bij die gelegenheid verleende rechtsbijstand voorzag, is in afwachting van een aanpassing ervan de Beleidsregel vastgesteld. Op 15 februari 2010 heeft het College van procureurs-generaal, ook naar aanleiding van het Salduz-arrest, de "Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor" (hierna: de Aanwijzing) vastgesteld, die op 1 april 2010 in werking is getreden. Doel van de Aanwijzing is kenbaar te maken, op welke wijze het recht op consultatiebijstand moet worden geëffectueerd. In de Aanwijzing staat dat elke aangehouden verdachte die voor verhoor naar een politiebureau is gebracht er door de politie op moet worden gewezen dat hij het recht heeft om, voorafgaand aan het eerste inhoudelijke verhoor, een raadsman te raadplegen. De consultatiebijstand vindt bij zogenoemde A- en B-zaken altijd plaats in een gesprek op het politiebureau. Bij zogenoemde C-zaken wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld telefonisch contact op te nemen met een raadsman. Appellant A heeft een piketvergoeding aangevraagd voor het verlenen van telefonische consultatiebijstand aan appellant B. Appellant B was aangehouden op verdenking van een misdrijf dat volgens de Aanwijzing als een zogenoemde B-zaak moet worden aangemerkt en had bij zijn aanhouding appellant A als voorkeurspiketadvocaat opgegeven. De raad heeft de aanvraag onder verwijzing naar art. 23, lid 1 van de Bvr, de Beleidsregel en de Aanwijzing afgewezen, omdat een piketvergoeding alleen wordt verleend voor consultatiebijstand op het politiebureau en dat zich hier niet voordoet. In de toelichting op de Beleidsregel, die op de voet van art. 4:23, lid 3, aanhef en onder a, van de Awb, als grondslag van de vergoeding dient te worden aangemerkt, is vermeld dat de raden, gelet op de Aanwijzing van het College, daarbij regelen dat de advocaat die 0,5 uur consult geeft een vergoeding krijgt van 0,75 punt. Hieruit volgt dat met de Beleidsregel is beoogd alleen consultatiebijstand te vergoeden die overeenkomstig de Aanwijzing is verleend. Nu consultatiebijstand bij zogenoemde A- en B-zaken volgens de Aanwijzing in een gesprek op het politiebureau plaatsvindt, heeft de Rb. met juistheid geoordeeld dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat telefonisch verleende consultatiebijstand aan een niet in verzekering gestelde verdachte van een B-zaak volgens het gevoerde beleid niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat dit, als gesteld, niet uit het piketdeclaratieformulier blijkt, leidt niet tot een ander oordeel. De raad komt ter zake van de vraag of een vergoeding voor consultatiebijstand wordt verleend beleidsvrijheid toe. De Rb. heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot het voeren van het in de Beleidsregel neergelegde beleid heeft kunnen besluiten. Daarbij is van belang dat de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat in overleg met de Nederlandse orde van advocaten is besloten telefonisch verleende consultatiebijstand niet te vergoeden. Reden hiervoor is volgens de raad dat wenselijk wordt geacht dat bij consultatiebijstand een vertrouwensband tussen de rechtsbijstandverlener en de aangehouden verdachte ontstaat. Nu er bij telefonisch verleende consultatiebijstand geen persoonlijk contact is tussen de rechtsbijstandverlener en de verdachte, zal de vertrouwensband doorgaans minder snel ontstaan, hetgeen ongewenst is, aldus de raad. Het moet ervoor worden gehouden dat in dit beleid rekening is gehouden met de omstandigheid dat in sommige gevallen de consultatiebijstand door een voorkeurspiketadvocaat wordt verleend, in welke gevallen de vertrouwensband aanwezig is. Dat de raad, als gesteld, wel een vergoeding verleent in geval van telehoren of een videoverhoor door de rechter-commissaris, leidt niet tot een ander oordeel, nu het in die gevallen niet om consultatiebijstand gaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen