ABRvS 14 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2065

Bij besluit van 19 maart 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. In dit besluit staat onder meer vermeld dat de vreemdeling vanaf het moment van bekendmaking daarvan niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat op hem de verplichting rust Nederland binnen vier weken te verlaten en dat hij bij gebreke hiervan kan worden uitgezet. Voorts heeft de minister daarin vermeld dat dit besluit tevens is aangemerkt als terugkeerbesluit. Niet in geschil is dat de vreemdeling binnen de beroepstermijn van vier weken beroep heeft ingesteld tegen dit besluit. De vreemdeling betoogt derhalve terecht dat hij ingevolge art. 8, aanhef en onder h, gelezen in samenhang met art. 82, lid 1 Vw 2000 voorafgaand aan zijn inbewaringstelling rechtmatig verblijf had. Dit rechtmatig verblijf is ingevolge het bepaalde in art. 82, lid 4 Vw 2000 op het moment van de inbewaringstelling van de vreemdeling geëindigd. Anders dan waar de Rb. vanuit lijkt te gaan, heeft de vreemdeling de in het besluit van 19 maart 2012 geboden vertrektermijn voorafgaand aan zijn inbewaringstelling niet laten verstrijken, nu uit het voorgaande volgt dat de rechtsgevolgen van dat besluit waren opgeschort. Anders dan de vreemdeling betoogt, is deze vertrektermijn op het moment van inbewaringstelling van de vreemdeling echter ook niet opnieuw aangevangen. De staatssecretaris heeft de vreemdeling immers op 24 december 2012 opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, terwijl is gesteld noch gebleken dat de staatssecretaris dit besluit heeft ingetrokken. De in voormeld besluit van 19 maart 2012 gestelde vertrektermijn van vier weken is derhalve verkort, zodat deze termijn op zichzelf niet aan de inbewaringstelling in de weg stond. De vreemdeling kan evenwel niet worden tegengeworpen dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden, nu hij onmiddellijk nadat het terugkeerbesluit van 24 december 2012 aan hem is uitgereikt in bewaring is gesteld. (…) Nog daargelaten dat de in art. 61 Vw 2000 bedoelde vertrekplicht geen verplichting als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb 2000 betreft, volgt reeds uit hetgeen onder 1.3 is overwogen dat de vreemdeling niet kan worden tegengeworpen dat hij zich niet aan zijn vertrekplicht heeft gehouden.(…)De enkele omstandigheid dat de vreemdeling ervan heeft afgezien om van dit recht gebruik te maken, biedt geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Het recht op consulaire bijstand mag niet worden verward met de verplichting tot meewerken met het oog op uitzetting, bijvoorbeeld tijdens een presentatie bij de diplomatieke vertegenwoordiging ter verkrijging van een laissez passer of de verplichting voor de vreemdeling om zelf contact op te nemen met de diplomatieke vertegenwoordiging ter verkrijging van (bron)documenten, indien dit aldus mogelijk is en bedoeld contact daartoe noodzakelijk is. De staatssecretaris heeft deze grond derhalve niet aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen