ABRvS 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9198
Bij brief van 5 februari 2010 heeft BSMR DNB op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van onder meer vergunningaanvragen. Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van art. 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob gelezen in samenhang met art. 1, aanhef en onder b, van het Besluit is uitgezonderd van de toepassing van de Wob. Hiertoe heeft zij in aanmerking genomen dat onder art. 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 ook de toezichtwerkzaamheden vallen die zij op grond van de Wtt uitoefent. Aan het besluit van 22 juli 2010 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van BSMR heeft DNB ten grondslag gelegd dat de Wob niet op haar van toepassing is, wat maakt dat haar beslissing op het verzoek van BSMR van 16 maart 2010 geen besluit is in de zin van art. 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De rb. heeft geoordeeld dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verwijzing in art. 1, aanhef en onder b, van het Besluit naar de taken en de bevoegdheden van DNB op grond van art. 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 mede ziet op het toezicht uit hoofde van de Wtt. Naar het oordeel van de rb. volgt hieruit dat DNB met betrekking tot de door BSMR opgevraagde informatie niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob. Voorts komt DNB op grond van art. 12, eerste lid, van de Wtt evenmin de bevoegdheid toe om de door BSMR gevraagde informatie openbaar te maken. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling heeft de rb. evenwel geoordeeld dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 16 maart 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft DNB het door BSMR gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rb. Mede gelet op haar uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007835/1/H3 LJN: BP9590, is de Afdeling van oordeel dat de rb. met juistheid en op goede gronden heeft geoordeeld dat de brief van 16 maart 2010 als een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Het verzoek van BSMR heeft betrekking op stukken die DNB op grond van de Wtt onder zich heeft. Met de rb. is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in art. 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen. Met juistheid heeft de rb. dan ook geoordeeld dat DNB met betrekking tot de door BSMR verzochte openbaarmaking van documenten als bestuursorgaan in de zin van de Wob is uitgezonderd. Nu de Wob op het verzoek van BSMR niet van toepassing is, wordt aan een toets aan art. 2, eerste lid, van de Wob, gelezen in samenhang met art. 12, eerste lid, van de Wtt, niet toegekomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rb. met juistheid het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2010 vernietigd en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1a Wob
- Artikel 2 Wob
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 6:15 Awb
- Artikel 4 Bankwet 1998
- Artikel 1 BBWW
- Artikel 1 Wtt
- Artikel 12 Wtt
- Artikel 2a Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 5 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 8 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 17 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 18 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 19 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 20a Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 25a Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 46 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 49 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet