ABRvS 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8552

Bij besluit heeft verweerder een revisievergunning als bedoeld in art. 8.4, lid 1 van de Wm (oud) verleend voor een inrichting voor de productie van diervoeders. Wijzigingsvergunning. Hangende beroep bij de Afdeling heeft het college van b&w van Utrecht een aantal voorschriften van de revisievergunning gewijzigd. Bij dit besluit heeft het college tevens krachtens art. 7.8b van de Wm bepaald dat het maken van een milieueffectrapport niet nodig is. Dit besluit is gebaseerd op de artikelen 2.29 en 2.31 van de Wabo. De Afdeling overweegt dat de onderliggende vergunning een vergunning is als bedoeld in art. 8.1 van de Wm (oud). Deze vergunning was ten tijde van het nemen van het wijzigingsbesluit echter niet onherroepelijk, zodat deze niet kon worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders zijn bevoegdheid om die vergunning te wijzigen niet aan art. 2.4, lid 1 van de Wabo kon ontlenen. Evenmin bood enige andere bepaling bij of krachtens de Wabo gesteld, grondslag voor die bevoegdheid. Nu het gaat om een wijziging van een Wm-vergunning, die niet kan worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning, blijft ten aanzien van de totstandkoming daarvan en de regeling van bezwaar en beroep daartegen het recht zoals gold vóór 1 oktober 2010 van toepassing. Dat art. 1.2, lid 2, aanhef en onder b, van de Invoeringswet Wabo hier niet van toepassing is, maakt dit niet anders. Gelet op het vorenstaande was niet het college van b&w maar verweerder bevoegd de vergunning te wijzigen. Het college van b&w heeft het besluit genomen ter inwilliging van een krachtens art. 2.31, lid 1, aanhef en onder b, van de Wabo gedaan verzoek van verweerder. Verweerder heeft na heropening van het onderzoek bij brief de Afdeling meegedeeld dat het achter het besluit van b&w staat en een inhoudelijk gelijkluidend besluit zou hebben genomen als het had onderkend dat het zelf bevoegd was. De Afdeling leidt hieruit af dat verweerder dit besluit heeft bekrachtigd en het geheel voor zijn rekening neemt. Gelet hierop ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding dit besluit in zoverre te vernietigen. Geurhinder. Ingevolge art. 5a.1, lid 2 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met art. 1, lid 3 van de Regeling aanwijzing BBT-documenten en de bijlage bij deze regeling, moet het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening houden met de NeR. Verweerder heeft de door de inrichting veroorzaakte geuremissie getoetst aan de bijzondere regeling A3-Diervoederindustrie (hierna: bijzondere regeling) van de NeR. (…) Verweerder heeft voor de beoordeling van de geurhinder de norm voor bestaande situaties als uitgangspunt genomen. De in voorschrift 8.1.1. opgenomen geurnorm is daarvan afgeleid. In de bijzondere regeling is niet omschreven wat onder een bestaande dan wel een nieuwe situatie moet worden verstaan. De bijzondere regeling maakt onderdeel uit van de NeR. In paragraaf 2.5.4 van de NeR is vermeld dat het gaat om een nieuwe situatie indien voor de eerste keer een milieuvergunning wordt gevraagd voor een bepaalde activiteit. Het gaat om een bestaande situatie als de activiteit reeds eerder vergund is geweest. Bij uitbreiding van een inrichting wordt het nieuwe gedeelte als een nieuwe situatie beschouwd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen