ABRvS 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8528
Boete van € 12.600,00 wegens overtreding van de artt. 3:2, lid 1 en 4 en 4:3, lid 1 van de Arbeidstijdenwet. Kinderarbeid. Wederpartij is een bedrijf dat voor uitgevers van dagbladen en andere gedrukte media de landelijke distributie van drukwerk verzorgt. Zij sluit daartoe onder meer overeenkomsten van opdracht, zogenoemde distributieovereenkomsten, met lokale distributeurs die in hun regio zorgdragen voor de bezorging aan huis. De lokale distributeurs sluiten voor die bezorging onder meer bezorgovereenkomsten als bedoeld in art. 9:1, lid 1 van de Nrk. Wederpartij verzorgt voor en namens de lokale distributeurs de administratie en de betaling aan de bezorgers. De Rb. heeft overwogen dat de staatssecretaris niet bevoegd was een boete op te leggen aan wederpartij, omdat zij niet als werkgever van de betrokken kinderen in de zin van art. 1:1 van de Atw kan worden aangemerkt en derhalve niet de verantwoordelijke persoon is als bedoeld in art. 3:1 van die wet. Volgens de Rb. is wederpartij niet de werkgever van de kinderen als bedoeld in het eerste lid van art.1:1 van de Atw, omdat zij een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met de lokale distributeur en niet met wederpartij. Dat wederpartij de loonadministratie van die distributeur verzorgt, maakt voorts niet dat er tussen de kinderen en wederpartij een gezagsverhouding bestaat als bedoeld in het tweede lid van die bepaling, aldus de Rb. De Afdeling stelt vast dat, de staatsecretaris geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de Rb. dat wederpartij niet kan worden aangemerkt als werkgever van de betrokken kinderen, als bedoeld in art. 1:1, lid 1 en 2 van de Atw. Zij zal derhalve van de juistheid van dat oordeel uitgaan. De vraag die in hoger beroep voorligt, is of wederpartij desalniettemin kan worden aangemerkt als de voor de betrokken kinderen verantwoordelijke persoon, als bedoeld in art. 3:1, aanhef en onder a, van de Atw. Evenals de Rb. beantwoordt de Afdeling die vraag ontkennend. In de Atw zijn verplichtingen neergelegd die een werkgever heeft ten opzichte van zijn werknemer(s). Dit volgt niet alleen uit de ratio van de Atw, maar eveneens uit art. 1:1 van die wet, waarin de begrippen "werkgever" en "werknemer" aan elkaar worden gekoppeld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat dit ten aanzien van kinderarbeid anders zou zijn, in die zin dat een andere werkgever dan de werkgever van een kind gehouden zou zijn die verplichtingen na te leven. De Afdeling vindt steun voor dit oordeel in de redactie van art. 3:1, onder a, van de Atw, dat als verantwoordelijke persoon aanmerkt ‘de’ werkgever en niet ‘een’ werkgever. Art. 3:1 van de Atw heeft slechts tot gevolg dat ten aanzien van kinderarbeid niet alleen de werkgever van een kind, maar ook een ieder die over een kind het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding een kind is opgenomen, art. 3:2 van de Atw en de Nrk dient na te leven. Dat in art. 1:2, lid 2 van de Atw het in art. 1:1 gebezigde begrip "arbeid" voor kinderen wordt uitgebreid tot verrichtingen ter naleving van een overeenkomst, maakt het voorgaande niet anders. Uit de mvt bij de Atw volgt dat het begrip "overeenkomst" ruim moet worden uitgelegd. Hieronder moet niet alleen worden verstaan een overeenkomst die door een kind zelf is aangegaan, maar ook een overeenkomst waardoor een ander gebonden is en bij de uitvoering waarvan het kind wordt betrokken, aldus de toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23 646, nr. 3, blz. 71). De toelichting noemt het geval waarin een kind één van zijn ouders behulpzaam is bij de uitvoering van betaald werk dat door die ouder is aangenomen, als voorbeeld van arbeid die door die ruime uitleg onder het verbod op kinderarbeid valt. Anders dan de staatssecretaris leidt de Afdeling uit dit voorbeeld niet af dat de wetgever met de Atw heeft beoogd personen of bedrijven die niet als de werkgever van een kind kunnen worden aangemerkt, wel als de verantwoordelijke persoon voor dat kind aan te merken. In het voorbeeld is veeleer de ouder de verantwoordelijke persoon. Hoewel door de ruime uitleg van het begrip "overeenkomst" bij een kind wellicht sneller van het verrichten van arbeid zal kunnen worden gesproken, brengt dit, zoals de Rb. terecht heeft overwogen, derhalve geen verandering mee in de uitleg van het begrip "werkgever" in de zin van art. 3:1, onder a, van de Atw, gelezen in verbinding met art. 1:1, van die wet. Om als werkgever in de zin van die bepalingen te kunnen worden aangemerkt, moet een arbeidsovereenkomst zijn gesloten dan wel een gezagsrelatie bestaan tussen wederpartij en de betrokken kinderen. Zoals hiervoor overwogen, heeft de staatssecretaris het oordeel van de Rb. dat dit hier niet het geval is, niet betwist. De conclusie is dat de Rb. terecht heeft overwogen dat wederpartij, nu deze niet als de werkgever van de betrokken kinderen kan worden aangemerkt, evenmin als de verantwoordelijke persoon voor hen kan worden aangemerkt. De staatssecretaris was derhalve niet bevoegd aan haar een bestuurlijke boete op te leggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl