ABRvS 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1031
Besluit waarbij een vergunning als bedoeld in art. 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend voor het veranderen van een inrichting voor het winnen en verwerken van zand en grind. Appellanten betogen dat de aanvraag op grond van art. 8.30, lid 2 van de Wet milieubeheer buiten behandeling had moeten worden gelaten, omdat niet binnen zes weken na indiening daarvan een aanvraag om verlening van een vergunning krachtens de Waterwet is ingediend. Ingevolge art. 8.30, lid 2, in samenhang met art. 8.28, van de Wet milieubeheer wordt, in gevallen waarin de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort van waaruit stoffen als bedoeld in art. 6.1 van de Waterwet in het oppervlaktewater worden gebracht en daarvoor krachtens art. 6.2 van die wet een vergunning vereist is, de aanvraag om verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer buiten behandeling gelaten, indien de aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning krachtens art. 6.2 van de Waterwet niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvraag om verlening van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer is ingediend. Het college stelt zich op het standpunt dat in 2007 een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is verleend en dat voor de aangevraagde wijzigingen van de inrichting geen nieuwe vergunning krachtens art. 6.2 van de Waterwet is vereist. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. De beroepsgrond faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl