ABRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0407
Lastgeving op straffe van een dwangsom om binnen tien dagen na dagtekening van het besluit de waargenomen aalfuiken uit de Nederlandse wateren te verwijderen en verwijderd te houden tot 1 december 2009 omdat tijdens controles in oktober 2009 is vastgesteld dat zij met aalfuiken viste, terwijl het op dat moment verboden was met dergelijk vistuig te vissen. Art. 32a, lid 1 van de Uitvoeringsregeling, is een algemeen verbindend voorschrift, gelet op art.16, lid 1 aanhef en onder a, van de Visserijwet 1963, gelezen in verbinding met art. 6, lid 3 en art. 10b van het Reglement. Slechts indien een algemeen verbindend voorschrift kennelijk onredelijk is of in strijd is met een hogere regeling, bestaat grond voor het oordeel dat het onverbindend is. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat de Rb. heeft miskend dat het in art. 32a, lid 1 van de Uitvoeringsregeling vervatte verbod onverbindend is wegens strijd met de verordening of het Aalbeheersplan. Zoals de Rb. heeft overwogen, dienen de lidstaten ingevolge art. 2, lid 3 van de verordening een beheersplan voor aal op te stellen en kan zo’n plan ingevolge het achtste lid voorzien in de vermindering van de commerciële visactiviteiten. In het Aalbeheersplan, dat is goedgekeurd door de Commissie, is opgenomen dat een verbod op het vissen op aal zal worden ingevoerd dat van kracht zal zijn van 1 september tot en met 30 november en dat dit verbod vorm zal worden gegeven door middel van een verbod op het gebruik van vistuig waarmee op aal kan worden gevist. Daarbij is onder meer de aalfuik vermeld. Het doel van het in art. 32a, lid 1, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling vervatte verbod is het verminderen van de antropogene sterfte van aal. Niet in geschil is dat het verbod op het gebruik van de aalfuik daaraan bijdraagt. Dat door dat verbod tevens het vissen op wolhandkrab wordt belemmerd, maakt niet dat dat verbod in strijd is met de verordening of het Aalbeheersplan. De Rb. heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat art. 32a, lid 1 van de Uitvoeringsregeling onverbindend is omdat niet is voorzien in een tegemoetkoming voor vissers die in de periode van 1 oktober tot en met 30 november 2009 niet op wolhandkrab konden vissen. De minister mocht een verbod instellen op het gebruik van vistuig waarmee aal kan worden gevangen. Hij mocht er daarbij rekening mee houden dat er voor de binnenvisserij geen vaste aanlandpunten voor aal zijn en een verbod op het aan land brengen ervan niet effectief te handhaven was, terwijl een verbod op het voorhanden hebben en het gebruik van bepaald vistuig wel handhaafbaar was. Dat art. 32a, lid 1 van de Uitvoeringsregeling bij besluit van 13 juni 2010 is aangepast, is onvoldoende voor een ander oordeel. Deze bepaling is pas gewijzigd nadat de minister met het Productschap Vis een overeenkomst had gesloten die het mogelijk maakt te controleren of wordt gevist met aalfuiken die zodanig zijn aangepast dat daarmee slechts wolhandkrab kan worden gevangen. Dat het reeds in 2009 technisch mogelijk was de aalfuiken op de thans voorgeschreven wijze aan te passen, doet hier niet aan af. De wijziging wordt niet gerechtvaardigd door de enkele technische mogelijkheid om aalfuiken zodanig aan te passen dat aal eruit kan ontsnappen en wolhandkrab niet, maar door de introductie van een systeem dat het mogelijk maakt effectief te controleren of de fuiken waarmee wordt gevist daadwerkelijk aldus zijn aangepast. Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de minister het maken van afdoende afspraken heeft verhinderd. De voorstellen die door hem zijn genoemd, zijn alle voorstellen om het verbod op het voorhanden hebben van bepaald vistuig, zoals aalfuiken, te vervangen door een verbod op het in bezit hebben van aal tijdens het vissen en bij het aanlanden. Een dergelijk verbod achtte de minister evenwel niet te handhaven, nu dit permanente controle vergt en er voor de binnenvisserij geen vaste aanlandpunten voor aal zijn. Voorts heeft de Rb. terecht overwogen dat de minister het voor rekening en risico van de beroepsgroep van wolhandkrabvissers mocht laten dat niet voor 1 oktober 2009 tot afdoende afspraken is gekomen om controle op het vissen met aalfuiken die zodanig zijn aangepast dat daarmee slechts wolhandkrab kan worden gevangen, mogelijk te maken. Uit art. 2, lid 8 van de verordening volgt dat in een beheersplan voor aal kan worden voorzien in een vermindering van de commerciële visactiviteiten. Daaronder kan ook een verbod op het gebruik of voorhanden hebben van bepaald vistuig vallen. Het verbod op het gebruik van aalfuiken was daarmee niet onvoorzienbaar. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het in die bepaling vervatte verbod overhaast is ingevoerd, nu ingevolge art. 5, lid 2 van de verordening de lidstaten de goedgekeurde beheersplannen voor aal uiterlijk ten uitvoer dienden te leggen voor 1 juli 2009. Zoals de Rb. heeft overwogen, was de minister krachtens art. 16, lid 1, aanhef en onder a, van de Visserijwet, gelezen in verbinding met art. 6, lid 3 van het Reglement, bevoegd het in art. 32a, lid 1 van de Uitvoeringsregeling vervatte verbod vast te stellen. Voor de vaststelling of geldigheid van dat verbod is niet vereist dat het Aalbeheersplan, waarvan dat verbod een uitvoering is, door de Commissie is goedgekeurd. De Rb. heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister appellante ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl