ABRvS 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2549

Herziening over het jaar 2010 toegekende voorschot zorgtoeslag en vaststelling op nihil. voor 2010. Een verzekerde als bedoeld in art. 1, aanhef, onder c, van de Wzt, gelezen in verbinding met art. 1, aanhef en onder f, van de Zvw, heeft slechts aanspraak op zorgtoeslag indien ten behoeve van de aanvrager ervan in het betreffende berekeningsjaar een zorgverzekering in de zin van art. 1, onder d, van de Zvw is gesloten. De wettelijke verplichting voor de verzekeraar om vooraf melding te maken van zijn voornemen zorgverzekeringen aan te bieden en zijn modelovereenkomsten over te leggen strekt ertoe dat de zorgautoriteit kan nagaan of een volgens dat model gesloten overeenkomst een zorgverzekering zal zijn die voldoet aan de eisen die de Zvw stelt en dientengevolge is aan te merken als zorgverzekering in de zin van art. 1, onder d, van de Zvw. Deze eisen betreffen onder meer het in de zorgverzekering op te nemen risico - de behoefte aan bepaalde vormen van zorg of met die zorg verband houdende diensten - alsmede de inhoud en omvang van de prestaties die op grond van de zorgverzekering dienen te worden geleverd. Hier staat tegenover dat de verzekeraar voor verzekerden in de zin van de Zvw aanspraak kan maken op een vereveningsbijdrage. De verplichting tot het vooraf melden en overleggen van de modelovereenkomsten als bedoeld in art. 25, lid 1 en 2 van de Zvw vormt, gelet op de tekst van deze bepaling, geen voorwaarde voor toetreding tot de Nederlandse zorgverzekeringsmarkt. Daar komt bij dat in de mvt bij de Zvw is opgemerkt dat deze verplichting er dus niet aan in de weg staat dat een verzekeraar zorgverzekeringen kan aanbieden en sluiten (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 130). Art. 54 van de Richtlijn 92/49/EEG staat evenwel toe dat bij betreding van de markt door een verzekeraar, van overheidswege wordt nagegaan of een onder de naam "zorgverzekering" aangeboden en gesloten verzekering voldoet aan de bij en krachtens de hoofdstukken 2 en 3 van de Zvw gestelde regels. Gelet op art. 54 van de Richtlijn 92/49/EEG en mede in het licht van de onder 2.1. aangehaalde overwegingen 22 tot en met 24 van de considerans bij deze richtlijn, kan derhalve de verplichting tot het vooraf melden en overleggen van de modelovereenkomsten worden gesteld. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Zvw blijkt dat deze verplichting een algemeen belang als bedoeld in art. 54 van de Richtlijn 92/49/EEG dient, te weten consumentenbescherming alsmede het tegengaan van fraude met vereveningsbijdragen en daarmee het financieel houdbaar houden van het stelsel (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 131). Het ingeroepen algemeen belang in aanmerking genomen, is vorenbedoelde verplichting noodzakelijk en proportioneel te achten. De Zvw brengt in zoverre dan ook geen ander resultaat mee dan met de Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG is beoogd. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat Richtlijn 73/239, zoals gewijzigd bij Richtlijn 92/49, in zoverre onjuist is geïmplementeerd in art. 25, lid 1 Zvw. Het beroep van [appellant] op deze richtlijnen slaagt reeds hierom niet. De gesloten ICTY-polis bij Van Breda was niet gemeld en derhalve niet bekend bij het CvZ, dat ingevolge de Zvw een register bijhoudt van de door verzekeraars aangemelde modelovereenkomsten van zorgverzekeringen. Dit brengt mee dat deze verzekering niet voldoet aan de bepalingen van de Zvw en niet is aan te merken als zorgverzekering in de zin van art. 1, aanhef en onder d, van de Zvw. Gelet hierop heeft de Rb. daarom terecht geoordeeld dat appellant in 2010 geen zorgverzekering in die zin heeft gesloten en dat hij geen verzekerde is als bedoeld in art. 1, aanhef en onder f, van de Zvw. Om die reden heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag over dat jaar kunnen herzien en vaststellen op nihil.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen