ABRvS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9564

Spoedeisende bestuursdwang en kostenverhaal; hoorplicht. De Rb. heeft terecht overwogen dat een uitzondering als bedoeld in art. 7:3 Awb niet aan de orde is. Onder verwijzing naar ABRS, 02 07 2003, 200203484/1 (LJN: AH8963) en ABRS, 02 01 2008, 200703196/1 (LJN: BC1017), is het in beginsel in strijd met art. 7:2 lid 1 Awb een hoorzitting niet uit te stellen wanneer een belanghebbende of zijn gemachtigde direct na de uitnodiging voor de hoorzitting gemotiveerd heeft meegedeeld dat hij op het aangegeven tijdstip niet kan verschijnen. De gemachtigde van wederpartij heeft binnen de termijn die daarvoor in de uitnodiging voor de hoorzitting is opgenomen, telefonisch en schriftelijk aan het dagelijks bestuur laten weten dat zowel wederpartij als hijzelf wegens vakantie niet in staat was de hoorzitting bij te wonen, en om een nieuwe datum verzocht. Het dagelijks bestuur heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden waren die ertoe noopten het verzoek om uitstel af te wijzen. De door hem aangegeven reden van de weigering, namelijk dat het de lijn volgt dat advocaten bij verhindering doorgaans kunnen worden vervangen door een kantoorgenoot, is niet zo'n bijzondere omstandigheid, nu niet alleen de gemachtigde van wederpartij, maar ook wederpartij zelf heeft aangegeven verhinderd te zijn en binnen de door het dagelijks bestuur gestelde termijn de wens te kennen heeft gegeven de hoorzitting uit te stellen. Voorts heeft het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van zodanige spoed dat de hoorzitting alleen op de geplande dag zou kunnen plaatsvinden. De Rb. heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur de beslissing op bezwaar heeft genomen in strijd met art. 7:2 lid 1 Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen