ABRvS 19 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4915

Volgens de Toelichtingen bij het EU Handvest (gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C 303/02), die ingevolge art. 6, lid 1, derde alinea, van het VEU en overeenkomstig art. 52, lid 7 van het EU Handvest voor de uitlegging daarvan in acht moeten worden genomen, correspondeert de tweede alinea van art. 47 van het EU Handvest met art. 6, lid 1 van het EVRM. In de Toelichtingen bij het EU Handvest is voorts vermeld dat in het recht van de Unie het recht op toegang tot de rechter niet alleen van toepassing is op geschillen inzake civielrechtelijke rechten en verplichtingen en dat, met uitzondering van de werkingssfeer, de door het EVRM geboden waarborgen op dezelfde wijze van toepassing zijn in de Unie. Nu volgens art. 52, lid 3, eerste volzin, van het EU Handvest de in het EU Handvest neergelegde rechten die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM eenzelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door het EVRM aan worden toegekend, en nu voorts in 2.8.3. is geoordeeld dat de gevolgde procedure niet in strijd is met het algemeen aanvaard rechtsbeginsel van recht op een eerlijk proces, bij welk oordeel aansluiting is gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM over de uitleg van deze verdragsbepaling, is er geen grond voor het oordeel dat de gevolgde procedure in strijd is met art. 47, tweede alinea, van het EU Handvest. In het licht van het voorgaande bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen