ABRvS 12 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8616
Op 10 maart 2010 is het door de vreemdeling tegen het besluit van 29 juni 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Met die ongegrondverklaring is de intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 19 juni 2006 in rechte komen vast te staan. Op het moment dat op de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd moest worden beslist, diende het er derhalve voor te worden gehouden dat zij met ingang van 19 juni 2006 hier te lande geen rechtmatig verblijf meer had. De rechtbank heeft niet onderkend dat onderhavige zaak in zoverre verschilt van de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2005. Niettemin is zij, gelet op het voorgaande, terecht tot de conclusie gekomen dat de vreemdeling niet direct voorafgaand aan haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van 14 december 2009 vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000, heeft genoten, nu zij slechts van 6 januari 2005 tot 19 juni 2006 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, en dat de minister om die reden terecht onderhavige aanvraag van de vreemdeling heeft afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl