Rb. 's-Gravenhage 30 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2175
De rechtbank oordeelt dat met het instellen van beroep tegen het besluit van 29 juni 2009 de werking van dat besluit ingevolge het bepaalde in artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 is opgeschort totdat op het beroep is beslist. Het instellen van beroep had rechtmatig verblijf voor eiseres tot gevolg op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 tot – in casu – 10 maart 2010. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroep dat zij in de periode 6 januari 2005 tot 10 maart 2010 rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000 een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2005, LJN: AT8326 en die van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 4 juni 2007, LJN: BA8602. Anders dan de Afdeling en deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het sluitende wettelijke systeem in dezen, gedurende zowel de beroepstermijn als de beroepsprocedure, sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De rechtbank ziet geen ruimte om te kunnen concluderen dat in dergelijke gevallen gedurende de beroepstermijn dan wel –procedure aangenomen dient te worden dat er sprake is van verblijf op de d-grond van artikel 8 van de Vw 2000. Hoe dit evenwel ook zij, in het geval van eiseres biedt de wet naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om tot een ander oordeel te komen dan dat eiseres in afwachting van de beslissing op haar beroepschrift rechtmatig verblijf heeft gehad op de h-grond van artikel 8 van de Vw 2000 en (derhalve) niet op de c-grond.
De uitspraak op rechtspraak.nl