ABRvS 30 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6663

Uitgaande van hetgeen de minister ter zitting heeft betoogd, dient ervan te worden uitgegaan dat, anders dan in paragraaf A6/1.5, onder c, van de Vc 2000 is vermeld, ingevolge artikel 16a, tweede lid, van de Bjj, zoals dat luidde ten tijde van belang, de maximale termijn gedurende welke de vreemdeling in een politiecel mocht verblijven voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel, drie dagen bedraagt. (…) De strafrechtelijke inverzekeringstelling is, gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder p, van de Bjj, zoals dat luidde ten tijde van belang, geen vrijheidsbenemende maatregel. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de Bjj niet op de strafrechtelijke inverzekeringstelling ziet. De duur van de strafrechtelijke inverzekeringstelling kan daarom niet worden meegenomen bij de berekening van de in artikel 16a, tweede lid, van de Bjj, zoals dat luidde ten tijde van belang, genoemde maximumtermijn van drie dagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen