ABRvS 8 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5037
Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / beschikbaar zijn voor OM in strafzaak / OM geen bezwaar tegen uitzetting Evenals het geval was in het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis dat aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2007 in zaak nr. 200609109/1, heeft de rechtbank Amsterdam in haar beschikking van 8 november 2010 niet uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat de vreemdeling Nederland niet mag verlaten zolang in de op hem betrekking hebbende strafzaak nog niet onherroepelijk is beslist. Voorts volgt uit paragraaf A4/6.2 van de Vc 2000 dat voor de beantwoording van de vraag of het zicht op uitzetting van de vreemdeling wegens een strafrechtelijke verdenking niet ontbreekt, slechts van belang is dat het OM geen bezwaar heeft tegen uitzetting. Aan dat vereiste is voldaan. Bij brief van 26 juli 2011, die door de minister in hoger beroep is overgelegd, heeft het OM bevestigd dat het aan de regievoerder van de DT&V op 21 april 2011 te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting van de vreemdeling, op voorwaarde dat de vreemdeling zou worden meegedeeld dat hij verplicht is te verschijnen ter terechtzitting, dat hem door verlening van een laissez passer de gelegenheid zal worden geboden gedurende de periode van de terechtzitting in Nederland te verblijven en dat van hem een postadres in Marokko zou worden verkregen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het zicht op uitzetting van de vreemdeling niet ontbreekt. Dat het OM eerst drie dagen na de inbewaringstelling toestemming heeft gegeven om de vreemdeling uit te zetten, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 oktober 2003 in zaak nr. 200305639/1, JV 2003/535), is in paragraaf A4/6.2 van de Vc 2000 het ontbreken van bezwaar bij het OM als voorwaarde gesteld voor uitzetting, niet voor inbewaringstelling. Nu de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde grond ten tijde van de inbewaringstelling aanwezig was en geen grond bestaat voor het oordeel dat tijdige voldoening aan de in paragraaf A4/6.2 van de Vc 2000 gestelde voorwaarde op dat moment niet te verwachten was, leidt het aanvankelijke ontbreken van toestemming van het OM niet tot het oordeel dat het zicht op uitzetting ten tijde van de inbewaringstelling ontbrak.
De uitspraak op rechtspraak.nl