ABRvS 12 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2048
Hoewel uit het gebruik van het woord “bijvoorbeeld” in paragraaf A4/5.3.3.1. van de Vc 1982, zoals deze ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet vermogenssancties op 1 mei 1983 luidde, zou kunnen worden afgeleid dat ook op andere gronden sprake kon zijn van een gevaar voor de openbare orde, heeft de minister in dit geschil niet met stukken kunnen aantonen dat volgens deze paragraaf ook los van een veroordeling door de strafrechter ter zake van het plegen van een misdrijf een vergunning tot verblijf kon worden geweigerd en al evenmin dat deze in de praktijk werd geweigerd. Derhalve moet worden aangenomen dat de minister op en na 1 mei 1983 de hem bij artikel 11, vijfde lid, van de Vw (oud) verleende bevoegdheid om een vergunning tot verblijf wegens gevaar voor de openbare orde te weigeren louter heeft uitgeoefend door vreemdelingen een zodanige vergunning te weigeren indien zij door de strafrechter wegens het plegen van een misdrijf waren veroordeeld. Ook indien dat anders zou zijn geweest, volgt in elk geval uit paragraaf A4/4.3.2.1. van de Vc 1994, voor zover thans van belang, dat vanaf 1 januari 1994 op grond van deze bevoegdheid louter bij een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel ter zake van het plegen van een misdrijf een vergunning tot verblijf werd geweigerd. Dat betekent dat de uitoefening van deze bevoegdheid ten opzichte van 1 januari 1973 vanaf 1 februari 1983 in zoverre is versoepeld. Vanaf 3 april 1996 heeft de minister deze bevoegdheid ook toegepast in die gevallen waarin vreemdelingen ter zake van het plegen van een misdrijf op grond van voormelde Wet een transactieaanbod hebben aanvaard. Op grond van deze toepassing kon een vergunning tot verblijf ook los van een veroordeling door de strafrechter ter zake van het plegen van een misdrijf worden geweigerd. Daarmee is deze toepassing ten opzichte van de door de minister vanaf 1 februari 1983 uitgeoefende bevoegdheid om een zodanige vergunning wegens gevaar voor de openbare orde te weigeren aangescherpt. Aangezien, zoals hiervoor onder 2.6.2. is overwogen, hetgeen het Hof in het arrest Toprak en Oguz voor recht heeft verklaard ook van betekenis is voor de uitleg van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, volgt daaruit in deze zaak dat de vanaf 3 april 1996 ingetreden verruimde uitoefening van de aan de minister verleende bevoegdheid om een vergunning tot verblijf te weigeren door ook in gevallen waarin vreemdelingen ter zake van het plegen van een misdrijf op grond van Wet vermogenssancties een transactieaanbod hebben aanvaard een zodanige vergunning te weigeren een bij artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol verboden "nieuwe" beperking vormt. De minister had derhalve met inachtneming van de op 1 februari 1983 geldende beleidsregel op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar dienen te beslissen. De rechtbank is dan ook terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat reeds hierom het betoog van de minister ter zitting over het niet onderkennen van de noodzaak tot aanpassing faalt. Ook los hiervan, faalt het betoog. Hoewel de minister enige tijd toekomt om zich erop te beraden of en zo ja, op welke wijze gewijzigde regelgeving in andere wetten dan de Vw (oud) of Vw 2000 noopt tot aanpassing van de uitoefening van de aan de minister bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheden, in dit geval staat vast dat ook dan een zeer lange periode – meer dan tien jaar – is verstreken voordat de minister de uitoefening van de aan hem bij artikel 11, vijfde lid, van de Vw (oud) verleende bevoegdheid om een vergunning tot verblijf wegens gevaar voor de openbare orde te weigeren aan de Wet vermogenstransacties heeft aangepast. Dat in deze periode de mogelijkheid bestond om vreemdelingen, los van een veroordeling door de strafrechter ter zake van het plegen van een misdrijf, een vergunning tot verblijf wegens gevaar voor de openbare orde te weigeren, zoals de minister heeft gesteld, laat onverlet dat uit hetgeen de minister in hoger beroep heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat vreemdelingen die na 1 mei 1983 een transactieaanbod ter zake van het plegen van een misdrijf hadden aanvaard, niet om die reden een zodanige vergunning werd geweigerd. De aanpassing van de Vc 1994 bij Besluit van 26 maart 1996 aan de Wet vermogenssancties vanaf 3 april 1996 heeft dan ook tot gevolg dat vreemdelingen die na deze datum een transactieaanbod ter zake van het plegen van een misdrijf hadden aanvaard, minder gunstig werden behandeld, omdat hun, in tegenstelling tot vreemdelingen die vóór deze datum bedoeld aanbod hadden aanvaard, om die reden een vergunning tot verblijf werd geweigerd. Dat betekent dat de bedoelde aanpassing als een terugkomen van een eerdere versoepeling moet worden aangemerkt. Het gevolg dat vreemdelingen na 3 april 1996 minder gunstig zijn behandeld, is op zichzelf reeds bepalend voor de vraag of sprake is van een bij artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol verboden "nieuwe" beperking, ook al is niet beoogd dat vreemdelingen vóór deze datum in een voordeliger positie hebben verkeerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl