ABRvS 12 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5552

De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat blijkens het proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling van 13 oktober 2010 de vreemdeling op deze datum heeft aangegeven asiel te willen aanvragen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling eerst op 31 oktober 2010 naar het AC Schiphol is overgebracht, alwaar hij op 2 november 2010 een asielaanvraag heeft ingediend. Bijzondere, niet aan de minister toe te rekenen, omstandigheden die eraan in de weg hebben gestaan de vreemdeling eerder over te plaatsen naar het AC Schiphol met het oog op de in te dienen asielaanvraag en de behandeling daarvan zijn niet gebleken. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de vreemdeling tot 25 oktober 2010 strafrechtelijk gedetineerd is geweest, niet een dergelijke omstandigheid oplevert. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de minister niet voldoende voortvarend te werk is gegaan en dat de bewaring van meet af niet gerechtvaardigd is geweest. Volgens paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2002 in zaak nr. 200200103/1; JV 2002/141) behelst de betrokken passage een inspanningsverplichting en biedt deze geen garantie aan vreemdelingen dat zij na een strafrechtelijke detentie niet in bewaring zullen worden gesteld. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juni 2010 in zaak nr. 201003322/1/V3; www.raadvanstate.nl) is deze inspanningsverplichting, nu een vreemdeling in bewaring wordt gesteld ter fine van uitzetting, primair gericht op het tijdens de strafrechtelijke detentie voorbereiden van de uitzetting van de betrokken vreemdeling en is het in dat kader van belang dat een vreemdeling zo spoedig mogelijk in staat wordt gesteld een asielaanvraag in te dienen, wanneer hij daartoe de wens heeft geuit. Het tijdsverloop tussen het uiten van deze wens en het daadwerkelijk indienen van de asielaanvraag kan van invloed zijn op de voorbereiding van de uitzetting en daarmee op de noodzaak van de inbewaringstelling en/of de duur van deze maatregel, aldus de Afdeling in deze uitspraak. Eerst met het opleggen van een maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 is sprake van een detentie in verband waarmee, gelet op artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de minister, ter voorkoming dat deze vrijheidsontneming onredelijk lang voortduurt, gehouden is voldoende voortvarendheid te betrachten met handelingen ter voorbereiding van de uitzetting. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 november 2010 in zaak nr. 201007878/1/V3, www.raadvanstate.nl) wordt bij de beoordeling van de voortvarendheid tijdens de vreemdelingrechtelijke bewaring geen zelfstandige betekenis gehecht aan het niet of niet snel genoeg handelen voorafgaand aan de inbewaringstelling. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte de inspanningsverplichting van de minister voorafgaand aan de inbewaringstelling in samenhang beoordeeld met het al dan niet voortvarend handelen van de minister gedurende de inbewaringstelling. Gelet op de beperkte duur van de strafrechtelijke detentie en het feit dat deze detentie op de twaalfde dag na de dag waarop hij de asielwens heeft geuit is beëindigd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Nu op de negende dag van de inbewaringstelling een eerste gehoor heeft plaatsgevonden, heeft de minister wat betreft het verrichten van uitzettingshandelingen voldoende voortvarend gehandeld. Aangezien de vreemdeling op de achtste dag na diens inbewaringstelling in de gelegenheid is gesteld om een asielaanvraag in te dienen, heeft de minister ook in dit opzicht voldoende voortvarend gehandeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen