ABRvS 4 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4320

Uit de aldus overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de algemene veiligheidssituatie in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, nog immer zorgelijk is en dat de veiligheidssituatie is verslechterd rond de Iraakse parlementsverkiezingen in maart 2010, maar daaruit blijkt evenzeer dat de veiligheidssituatie daarna weer op het niveau van vóór de verkiezingen is gekomen. Sinds de eerste helft van 2009 is in Irak, ook in Bagdad, sprake van een zich ontwikkelende veiligheidsstructuur, bestaande uit Iraakse veiligheidsorganisaties en - in verminderde mate - Amerikaanse troepen. Mede als gevolg van de sinds de eerste helft van 2009 aanwezige veiligheidsstructuur is de frequentie, aard en intensiteit van het geweld in Irak gewijzigd; ernstige geweldsincidenten zijn in het jaar 2010 minder talrijk dan in voorgaande jaren en het geweld is daarnaast minder willekeurig dan voorheen. Anders dan in de jaren vóór 2010 is het geweld veeleer gericht op destabilisatie van overheidsgezag en de veiligheidsstructuur. Het is gericht tegen leden van veiligheidsorganisaties en etnische en religieuze groepen. Vanwege de verminderde willekeur van het geweld en gewijzigde middelen van geweldpleging, is het aantal dodelijke burgerslachtoffers verminderd ten opzichte van de jaren vóór 2010. Vele personen die als gevolg van het geweld vóór 2010 hun toevlucht in andere delen van Irak en daarbuiten hebben genomen, zijn teruggekeerd naar Irak en met name ook naar Bagdad, daartoe gestimuleerd door het toekennen van toelagen door de Iraakse overheid. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, geen sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Irak, meer in het bijzonder Bagdad, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade. De Afdeling vindt voor dit oordeel steun in het gegeven dat het EHRM op 24 november 2010 op de website, www.echr.coe.int, te kennen heeft gegeven dat het - mede gelet op de door de UNHCR en de Nederlandse regering aan het EHRM ter kennis gebrachte stukken over de algemene veiligheidssituatie in Irak - anders dan vanaf 22 oktober 2010 het geval was, verzoeken van Iraakse vreemdelingen om het treffen van "interim measures" weer uitsluitend op individuele gronden beoordeelt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen