ABRvS 11 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0992

Mvv / ouder bij kind / toetsing aan artikel 3.24 en 3.25 Vb 2000 De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf met als verblijfsdoel "ouder bij kind". De minister dient zelfstandig te onderzoeken of die aanvraag kan worden ingewilligd op één van de daarvoor in aanmerking komende wettelijke gronden. Nu het toepassingsbereik van artikel 3.24 van het Vb 2000 niet de situatie uitsluit dat een ouder zich herenigt met het gezin van haar kind dat rechtmatig in Nederland verblijft en de vreemdeling geen wijziging van het verblijfsdoel van de aanvraag heeft beoogd, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat toetsing aan artikel 3.24 slechts kan plaatsvinden in het kader van een afzonderlijke door de vreemdeling in te dienen aanvraag. Dat artikel 3.24 een ander toetsingskader bevat dan artikel 3.25 van het Vb 2000, brengt niet met zich dat toetsing daaraan in het kader van deze aanvraag achterwege moet blijven. De rechtbank is met haar oordeel dat niet wordt voldaan aan de in artikel 3.24, aanhef en onder a, gestelde eis in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) buiten het geding getreden nu de minister daarover geen standpunt heeft ingenomen en de beroepsgronden voor dat oordeel geen aanleiding gaven. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen