ABRvS 7 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0985
Vreemdelingenbewaring / norm voor een verblijf in een politiecel dient op vijf dagen te worden gesteld / geen bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen gesteld Nu de minister ingevolge artikel 5.4, tweede lid, van het Vb 2000 is gehouden de tenuitvoerlegging van de bewaring die is aangevangen in een politiecel of een cel van de Koninklijke marechaussee zodra dit redelijkerwijs mogelijk is, voort te zetten in een huis van bewaring kan in het licht van de huidige overcapaciteit in de huizen van bewaring en de in het vonnis vermelde gegevens inzake overplaatsing naar een huis van bewaring, niet langer worden geoordeeld dat de termijn van tien dagen als bedoeld in paragraaf A6/5.3.6.1 van de Vc 2000 in overeenstemming is met het beoogde doel van voormeld wettelijk voorschrift. Bij de huidige stand van zaken is, behoudens bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen als bedoeld in de paragraaf A6/5.3.6.1 van de Vc 2000, tenuitvoerlegging van een bewaring in een politiecel of een cel van de Koninklijke marechaussee voor een periode langer dan vijf dagen strijdig met het bepaalde in artikel 5.4, tweede lid, van het Vb 2000. Dat, zoals de minister ter zitting heeft gesteld, die termijn van vijf dagen hem in ernstige mate bemoeilijkt bij het voeren van een plaatsingsbeleid omdat selectie en plaatsingen van vreemdelingen over de verschillende inrichtingen niet alleen een exacte wetenschap is en plotselinge instroom van vreemdelingen of bijzondere gebeurtenissen, zoals in mei van dit jaar een aswolk die het vliegverkeer belemmert, onverwachte gevolgen kunnen hebben voor het capaciteitsbeheer in de justitiële inrichtingen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit zijn omstandigheden die door hem in een voorkomend geval als bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen gesteld kunnen worden om te motiveren waarom de desbetreffende vreemdeling langer dan vijf dagen in een politiecel of in een cel van de Koninklijke marechaussee heeft moeten verblijven. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling dan nog aldaar beschikbaar is voor een te verrichten identiteitsonderzoek kan, anders dan de minister stelt, niet ter motivering hiervan gelden, nu hij, zoals de Afdeling in bovenvermelde uitspraak van 27 september 2002 heeft overwogen, een vreemdeling moet overplaatsen zodra er plaats is in een huis van bewaring.
De uitspraak op rechtspraak.nl