ABRvS 7 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6685
Richtlijn 2004/38 EG / familielid van Unieburger / geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan / geen sprake van belemmering van recht op vrij verkeer De referente bezit de Nederlandse nationaliteit. De vreemdeling stelt haar ongehuwde partner te zijn, die op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 voor toepassing van de Richtlijn met een echtgenoot gelijk gesteld kan worden. Niet in geschil is dat de referente van januari 2008 tot juni 2008 in België heeft verbleven en dat de vreemdeling op 29 februari 2008 vanuit Liberia naar Nederland is gereisd, waar hij direct na aankomst in het ziekenhuis is opgenomen. Ter zitting bij de rechtbank heeft de vreemdeling verklaard dat hij niet in België heeft gewoond, maar dat hij een aantal malen, maximaal vijf, bij de referente in België is geweest. Nu de vreemdeling na zijn aankomst op 29 februari 2008 niet in België, maar uitsluitend in Nederland heeft gewoond, heeft de rechtbank terecht overwogen dat van een reëel en daadwerkelijk verblijf van de vreemdeling in België geen sprake is geweest. Dat de vreemdeling, naar gesteld, heeft getracht zich in te schrijven in het bevolkingsregister in België maakt dit niet anders nu dit niet heeft geresulteerd in de daadwerkelijke vestiging van de vreemdeling in België. Dientengevolge moet het ervoor worden gehouden dat de referente zonder de vreemdeling in België heeft verbleven en de vreemdeling haar niet heeft begeleid bij haar terugkeer naar Nederland. In deze situatie doet een belemmering voor de referente om van haar recht op vrij verkeer gebruik te maken zich niet voor, zodat voor toepassing van de Richtlijn naar analogie geen reden bestaat. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht kan ontlenen aan – toepassing naar analogie van – de Richtlijn vanwege het verblijf van de referente in België. De grieven falen.
De uitspraak op rechtspraak.nl