ABRvS 7 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6683
Richtlijn 2004/38 EG / familielid van Unieburger / geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan / geen sprake van belemmering van recht op vrij verkeer Aangezien de vreemdeling geen relatie met de referente had tijdens haar verblijf in Spanje, hij daar niet bij haar heeft verbleven en haar niet heeft begeleid bij haar terugkeer naar Nederland, doet een belemmering voor de referente om van haar recht op vrij verkeer gebruik te maken zich niet voor. Voor toepassing van de Richtlijn naar analogie op de onderhavige situatie is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dan ook geen reden. Dat het HvJ EG in het in 2.1.3 vermelde arrest Metock heeft overwogen dat de Richtlijn wat de familieleden van een gemeenschapsonderdaan betreft geen enkele bepaling bevat die toepassing van de Richtlijn verbindt aan de voorwaarde dat zij voordien in een lidstaat hebben verbleven, leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest betrof de situatie waarbij een gemeenschapsonderdaan in een lidstaat waarvan hij niet de nationaliteit heeft verbleef, in welk verband de desbetreffende overweging dient te worden gelezen. In een dergelijke situatie houdt het stellen van de voorwaarde dat een gemeenschapsonderdaan eerst in een andere lidstaat met een familielid in gezinsverband moet hebben verbleven, alvorens laatstgenoemde rechten kan ontlenen aan de bepalingen van de Richtlijn, reeds een belemmering van het recht op vrij verkeer van de gemeenschapsonderdaan in, terwijl bij een terugkeersituatie, zoals in de onderhavige zaak, een belemmering zich naar zijn aard alleen kan voordoen als de gemeenschapsonderdaan samen met een familielid in het gastland heeft verbleven. De grief faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl