ABRvS 22 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2265

Intrekking verblijfsvergunning regulier / ongewenstverklaring / buitenlandse veroordelingen / verblijfsrechtelijke gevolgen / staatssecretaris heeft beoordelingsvrijheid Als de staatssecretaris in het buitenland gepleegde en bestrafte feiten (hierna: de buitenlandse veroordeling) krachtens artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000, al dan niet mede, ten grondslag legt aan de ongewenstverklaring, is daaraan inherent dat geen omzetting van de buitenlandse veroordeling door een Nederlandse rechter plaatsvindt. In het kader van een verblijfsrechtelijk geding is het immers niet mogelijk de Nederlandse strafrechter te laten oordelen over de vraag of de desbetreffende vreemdeling - zou het strafbare feit in Nederland zijn gepleegd en de desbetreffende vreemdeling daarvoor zijn vervolgd - zou zijn veroordeeld en, zo ja, welke straf zou zijn opgelegd. De buitenlandse veroordeling is derhalve ook voor de staatssecretaris een gegeven. Een zuiver grammaticale interpretatie van artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000 moet derhalve worden verworpen. Omdat het niet mogelijk is de zaak ter beoordeling aan de Nederlandse strafrechter voor te leggen, heeft de staatssecretaris zich voor de keuze gesteld gezien, of en, zo ja, op grond waarvan, hij aan buitenlandse veroordelingen in Nederland verblijfsrechtelijke gevolgen verbindt, en, indien hij dergelijke gevolgen aan een buitenlandse veroordeling verbindt, op welke wijze hij zijn bevoegdheid ter zake aanwendt. Bij deze keuze heeft hij een zekere beoordelingsvrijheid. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris met het beleid, neergelegd in onderdeel B1/5.3.6 van de Vc 2000, zoals toegelicht ter zitting bij de Afdeling, tot een met artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000 strijdige beleidsbepaling is gekomen. Dat, zoals uit de aangevallen uitspraak blijkt, ook een andere beleidsmatige invulling van dat artikel mogelijk zou zijn geweest, laat onverlet dat het, gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid, in de eerste plaats aan de staatssecretaris is deze beleidsmatige keuze te maken en niet aan de rechter dit in zijn plaats te doen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen