Rb. 's-Gravenhage 14 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9061
Ongewenstverklaring, verblijfsbeëindiging, hoofdverblijf, Richtlijn 2004/38 Ongewenstverklaring, intrekking, hoofdverblijf, actuele bedreiging EVRM: 8; IVRK: 3; Richtlijn 2004/38: 16, 27; Vw: 67,;Vb: 8.22 Samenvatting: Eiser is sinds 2003 familielid van een Unieburger, welk daarmee samenhangend verblijfsrecht na een veroordeling in Duitsland in 2006 is ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser heeft mogen aanmerken als een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde. Eiser is drie keer veroordeeld, waardoor er sprake is van recidivegevaar. Dat eiser vanwege zijn detentie niet in de gelegenheid is geweest om aan te tonen dat hij geen bedreiging meer is voor de openbare orde, is een omstandigheid die voor risico van eiser dient te komen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser sinds zijn laatste veroordeling niet in vrijheid is geweest, zodat zijn stellingen over goed gedrag en het niet meer vormen van een risico voor de samenleving niet zijn gebaseerd op zijn gedragingen in de maatschappij. Goed gedrag in de gevangenis is van een andere orde en is niet doorslaggevend. Het legaal verblijf van eiser in Nederland heeft daarom minder dan vijf jaar geduurd en er is geen aanleiding om de periode dat eiser in Duitsland in detentie heeft doorgebracht, voor de betreffende termijn mee te tellen. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor de status van langdurig ingezetene als bedoeld in Richtlijn 2004/38. Verweerder heeft in het bestreden besluit blijk gegeven dat hij zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de vreemdeling en zijn echtgenote en dochter door te toetsen aan de ‘guiding principles’, zoals het EHRM in de arresten Boultif en Üner heeft geformuleerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder meer overwogen dat de echtgenote van eiser niet de Marokkaanse nationaliteit bezit en dat het voor haar en haar dochter niet eenvoudig zal zijn om zich met eiser in Marokko te vestigen, maar dat dit, gelet op de aard en ernst van de door eiser gepleegde misdrijven geen reden is om de ongewenstverklaring van eiser achterwege te laten. Verweerder heeft daarbij ook laten meewegen dat eiser in zijn huwelijk en in de geboorte van zijn dochter geen aanleiding heeft gezien om het plegen van strafbare feiten achterwege te laten en dat de echtgenote en dochter al eenmaal eerder samen naar Marokko zijn geweest om de moeder van eiser te bezoeken. Verweerder dient in besluiten als deze de belangen van eiser en van verweerder zorgvuldig af te wegen, maar eiser heeft in beroep weinig feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het voor eiser, diens echtgenote en hun dochter onmogelijk, dan wel onevenredig zwaar zou zijn om zich samen in Marokko te kunnen vestigen en waardoor een ongewenstverklaring van eiser achterwege zou moeten blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl