ABRvS 12 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1613
Verzoek tot opheffing ongewenstverklaring / inhoudelijke beoordeling artikel 3 EVRM / geen Bahaddar toets Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, volgt, dat zelfs indien sprake is van gedwongen terugkeer naar een land waar, naar gesteld, een risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing, moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, die er toe strekken de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen. Slechts in geval van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in voormeld arrest van het EHRM, kan noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen. De staatssecretaris klaagt terecht dat in de onderhavige zaak geen sprake is van aan de vreemdeling tegengeworpen procedureregels in vorenbedoelde zin, nu het door de vreemdeling ingediende verzoek en het in dat kader gedane beroep op artikel 3 van het EVRM inhoudelijk zijn beoordeeld. De rechtbank heeft de door de vreemdeling in het kader van artikel 3 van het EVRM aangevoerde gronden derhalve ten onrechte beoordeeld in het licht van het Bahaddar-arrest en van voormelde uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2002.
De uitspraak op rechtspraak.nl