ABRvS 3 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5541

Vreemdelingenbewaring / beoordeling voorwaarden rechtmatig verblijf / geen geldig paspoort Voor zover de vreemdeling klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de slagingskans van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij partner, zijnde een burger van de Unie, in de onderhavige procedure niet ter toets staat en zolang daarop nog niet is beslist en niet vaststaat dat deze gehonoreerd zal worden, de minister op goede gronden de bewaring kan laten voortduren, is deze klacht terecht voorgedragen. De rechter in vreemdelingenzaken dient in het kader van de beoordeling van de bewaring zelfstandig te beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is voldaan. De afgifte van een verblijfsdocument ten bewijze van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is geen constitutief besluit, doch een declaratoire handeling. Gelet op artikel 8.11, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, is voor rechtmatig verblijf op de voet van eerstgenoemd artikellid vereist dat de betrokken vreemdeling, naast deugdelijk bewijs van zijn duurzame relatie met een burger van de Unie, beschikt over een geldig paspoort. Nu de vreemdeling is staandegehouden na het doen van aangifte van vermissing van zijn paspoort, wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan. Reeds daarom is geen sprake van rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8:11 van het Vb 2000. Aan de beoordeling of de vreemdeling een deugdelijk bewezen duurzame relatie met een burger van de Unie heeft, wordt gelet hierop niet toegekomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen