ABRvS 26 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5534
Afghanistan / Kabul / geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / individuele risicofactoren spelen hierbij geen rol De voorzieningenrechter heeft, door te overwegen dat bij de beoordeling van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn onvoldoende aandacht is besteed aan de omstandigheid dat de vreemdeling van Hazara afkomst is, niet onderkend dat deze omstandigheid in dat kader betekenis mist. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van 25 mei 2009, beoogt artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn immers uitsluitend bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat iedere burger louter door zijn aanwezigheid in het desbetreffende land of gebied - derhalve ongeacht zijn etnische afkomst - een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde ernstige schade. Individuele factoren, zoals etnische afkomst, kunnen in voorkomende gevallen wel leiden tot vergunningverlening op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat de bescherming die van laatstgenoemde bepaling uitgaat niet is beperkt tot de in 2.1.1 bedoelde uitzonderlijke situatie, maar ook ziet op de situatie dat de desbetreffende vreemdeling specifieke onderscheidende kenmerken ("special distinguishing features"), zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 30 oktober 1991, nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk, RV 1991, 19, aannemelijk heeft gemaakt, waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden en die bescherming tevens ziet op de situatie dat de desbetreffende vreemdeling deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007, nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland, JV 2007/30. Alhoewel uit het ambtsbericht, uit voormeld rapport van de UNHCR van juli 2009, en uit de overige onder 2.1.3. weergegeven stukken, in samenhang bezien, naar voren komt dat in Kabul sprake is van een verslechtering van de algemene veiligheidssituatie, een toename van het aantal veiligheidsincidenten en conflictgerelateerde slachtoffers en dat het conflict is geïntensiveerd en zich heeft verspreid naar voorheen stabiele gebieden, kan daaruit niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door de vreemdeling gestelde gewapend conflict ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 13 december 2009 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger in Kabul, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl