ABRvS 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0267
Artikel 5 van de richtlijn eist niet dat, om te worden aangemerkt als refugié sur place, sprake is van voortzetting van activiteiten die een vreemdeling in het land van herkomst heeft ontplooid dan wel van een overtuiging die reeds bestond in het land van herkomst. Onderdeel C2/2.6 van de Vc 2000, zoals dit ten tijde van belang luidde, was derhalve in zoverre niet in overeenstemming met artikel 5 van de richtlijn, terwijl de implementatietermijn daarvan reeds was verstreken. Een beroep op het destijds gevoerde beleid, dat nadien met het oog op artikel 5 van de richtlijn is aangepast, kan de staatssecretaris dan ook niet baten. Blijkens het proces verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van de vreemdeling gewezen op de motie van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Anker c.s. van 3 juli 2008 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007-2008, 19 637, nr. 1210), volgens welke het klimaat in Iran voor bekeerde moslims sedert het laatste ambtsbericht inzake Iran verder is verslechterd, getuige een bij het Iraanse parlement ingediend wetsvoorstel waarin de doodstraf wordt voorgesteld als sanctie op afvalligheid. Voorts heeft die gemachtigde gewezen op de reactie van de staatssecretaris op die motie bij brief van 21 oktober 2008 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007-2008, 19 637, nr. 1231), waarin de staatssecretaris onder meer wijst op het algemeen ambtsbericht inzake Iran van 22 juli 2008. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de staatssecretaris met het oog op de toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 verzocht een aantal vragen te beantwoorden, waaronder de vraag of voormeld wetsvoorstel en de passage in het ambtsbericht van 22 juli 2008 dat in de verslagperiode (1 juli 2007 tot en met 15 juli 2008) is gebleken dat de autoriteiten strenger zijn opgetreden tegen bekeerlingen, aanleiding zijn voor handhaving, intrekking of wijziging van het besluit. In dit verband heeft de rechtbank er op gewezen dat het wetsvoorstel op 9 september 2008 door het Iraanse parlement is aangenomen. Weliswaar is deze omstandigheid niet door de vreemdeling ingeroepen, doch zij ligt in het verlengde van hetgeen door hem tegenover de rechtbank is aangevoerd. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 83 van de Vw 2000.
De uitspraak op rechtspraak.nl