Rb. 's-Gravenhage 16 juli 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3878
4:6 / Iran / bekeerde Christen / WBV 2007/15 De rechtbank merkt eisers gestelde bekering tot het christendom aan als een nieuw feit dat zich na de eerdere procedure heeft voorgedaan. Dat geldt evenwel niet voor de stelling van eiser dat hij evangeliseert, nu hij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Nu niet op voorhand is uitgesloten dat eisers bekering tot het christendom kan afdoen aan het besluit tot afwijzing van de eisers eerste asielaanvraag, ziet de rechtbank aanleiding het onderhavige besluit op dit punt te beoordelen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet voldoet aan de in WBV 2007/15 gestelde voorwaarde, dat hij al problemen heeft ondervonden in zijn land van herkomst om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. In de eerste procedure is immers in rechte komen vast te staan dat niet aannemelijk is geworden dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht van de Basji staat. Eiser heeft aangevoerd dat het beleid in WBV 2007/15 kennelijk onredelijk is. Uit de na dit beleid verschenen ambtsberichten blijkt dat de situatie voor christenen in Iran is verslechterd. Gelet hierop dient eiser alleen al wegens zijn bekering tot het christendom een verblijfsvergunning asiel te worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de ambtsberichten van juli 2008, mei 2009 en januari 2010 van de minister van Buitenlandse Zaken, wat de positie van (bekeerde) christenen die niet evangeliseren betreft, geen aanleiding geven om het beleid in WBV 2007/15 te wijzigen. Het beleid om (bekeerde) christenen die niet evangeliseren niet enkel vanwege hun geloofsovertuiging in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel is dan ook niet kennelijk onredelijk. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl