ABRvS 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ5193

Dublin-verordering / overdrachtstermijn / verlengen Uit de artikelen 20, eerste lid, aanhef en onder d, en 20, tweede lid, van de Verordening, bezien in samenhang met artikel 9, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening, valt af te leiden dat de verantwoordelijkheid voor het behandelen van het asielverzoek bij niet tijdige overdracht eerst op de verzoekende lidstaat komt te rusten, indien de vreemdeling niet binnen zes maanden na de claimaanvaarding is overgedragen dan wel de aangezochte lidstaat niet vóór het verstrijken van de overdrachtstermijn mededeling is gedaan van het feit dat zich een van de in artikel 20, tweede lid, genoemde redenen voor uistel van de overdracht voordoet. Nu voorts in de Verordening noch in de Uitvoeringsverordening nadere eisen aan het verlengen van de overdrachtstermijn zijn gesteld, is het door de staatssecretaris ingenomen standpunt dat met het doen van die mededeling in de gevallen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Verordening, de overdrachtstermijn wordt verlengd, niet onjuist. Vaststaat dat Nederland bij brief van 22 oktober 2007 de Oostenrijkse autoriteiten heeft meegedeeld dat de overdracht geen doorgang kan vinden omdat gebleken is dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. Voorts is meegedeeld dat Oostenrijk zo spoedig mogelijk zal worden geïnformeerd omtrent een nieuwe overdracht. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening en is de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Verordening tot 18 maanden na de claimaanvaarding, derhalve tot 10 april 2009, verlengd. Dat op 22 oktober 2007 niet was uitgesloten dat de vreemdeling binnen een termijn van zes maanden na de claimaanvaarding alsnog aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen worden overgedragen, leidt niet tot een andersluidend oordeel. Uitgangspunt van de Verordening, onder meer neergelegd in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, is dat een vreemdeling dient te worden overgedragen zodra dat praktisch mogelijk is. Elk uitstel van de overdracht als gevolg van feitelijke omstandigheden dient ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening onverwijld aan de verantwoordelijke lidstaat te worden meegedeeld. Of van de daarmee verkregen termijnverlenging ook gebruik zal moeten worden gemaakt is in dit kader niet relevant. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheid dat de staatssecretaris op 2 mei 2008 met zijn verblijfplaats bekend was, nu hij op die dag in bewaring is gesteld, maar de staatssecretaris zou hebben nagelaten hem met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Uitvoeringsverordening zo spoedig mogelijk daarna over te dragen, leidt niet tot een ander oordeel. De Verordening noch de Uitvoeringsverordening geven grond voor het oordeel dat de verlengde termijn daardoor ten einde komt. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat Oostenrijk voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen