ABRvS 23 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3894

Vreemdelingenbewaring / Mongolië / zicht op uitzetting / verklaring van geen bezwaar / verplichting tot medewerking Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.1 is overwogen moet worden uitgegaan van de vaststelling door de rechtbank dat de autoriteiten van Mongolië voor de verstrekking van een laissez passer een door de desbetreffende vreemdeling ondertekende verklaring van geen bezwaar tegen terugkeer verlangen. De inbewaringstelling van de vreemdeling is er op gericht de vreemdeling te doen terugkeren naar haar land van herkomst. Die maatregel maakt het voorts mogelijk er op toe te zien dat de vreemdeling alsnog de van haar te verlangen inspanningen verricht met het oog op haar terugkeer. Daartoe behoeft zij geen leugenachtige verklaring af te leggen. Het blijft haar vrijstaan de gevraagde verklaring van geen bezwaar niet te ondertekenen. De door de rechtbank aanwezig geachte mogelijkheid dat de vreemdeling zich zou blootstellen aan strafvervolging mist dan ook een reële grondslag. De staatssecretaris betoogt terecht dat de weigering van de vreemdeling medewerking te verlenen aan terugkeer naar Mongolië wel gevolgen heeft voor de duur van de bewaring. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de verklaring van geen bezwaar die de vreemdeling moet afleggen om haar terugkeer mogelijk te maken, een zodanige strekking heeft dat deze verder gaat dan binnen het bestek van de door haar niet nagekomen verplichting Nederland eigener beweging te verlaten redelijkerwijs van haar zou kunnen worden verlangd. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat geen sprake meer is van zicht op uitzetting van de vreemdeling, omdat zij weigert voormelde verklaring af te leggen en dat zal blijven doen. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl