Rb. Den Haag 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30199

Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting en voortvarendheid, kennisgeving ten overvloede

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.57516 en NL26.58339
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] ,
V-nummer: [V nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K. Nunninga).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000.

Procesverloop

Met het besluit van 10 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 24 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Over het beroep met nummer NL26.57516

Toetsingskader

1 Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2 Uit de uitspraak van 24 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 17 juli 2026, rechtmatig is.

Bestaat een redelijk vooruitzicht op verwijdering en handelt de minister voldoende voortvarend?

3 Eiser heeft tot twee keer toe geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een presentatie aan de Somalische autoriteiten. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat een presentatie in persoon een voorwaarde is om een laissez passer te verkrijgen van de Somalische autoriteiten. Dit betekent echter niet dat het zicht op uitzetting is vervallen. Voor de vraag of sprake is van zicht op uitzetting is mede van belang of eiser zijn volledige en actieve medewerking verleent aan het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2005, waarin is overwogen dat bij het niet meewerken door de vreemdeling zicht op uitzetting niet is komen te ontbreken, maar integendeel wordt verscherpt en bevorderd. Van eiser mag worden verwacht dat hij om uitzetting mogelijk te maken daaraan actieve en volledige medewerking verleent, waarbij van hem tenminste dezelfde inspanningen kunnen worden verlangd die ter naleving van de zogeheten vertrekplicht mogen worden verwacht. Door eisers weigering om mee te werken aan een presentatie komt de verlenging van de duur van de bewaring voor zijn rekening en risico. Dit maakt de bewaring niet punitief.

4 De minister voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser en rappelleert ook regelmatig naar de voortgang van het onderzoek bij de Somalische autoriteiten. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de (voorbereiding van de) verwijdering van eiser niet voldoende voortvarend ter hand neemt.

Moet de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvallen?

5 De totale duur van de bewaring van eiser, te weten vanaf 12 mei 2026, is niet zodanig lang dat alleen al vanwege de duur de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden die gelet op de duur van deze vreemdelingenbewaring voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de vreemdelingenbewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6 Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7 Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Over het beroep met nummer NL26.58339

8 De minister heeft de rechtbank op 1 oktober 2026 in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 28 september 2026 beroep tegen het voortduren van de bewaring heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL26.57516 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL26.58339 daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep NL26.57516 ongegrond;

- verklaart het beroep NL26.58339 niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken