ABRvS 8 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1541
Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / onderscheid in belang van uitzettingshandelingen De staatssecretaris klaagt evenwel terecht dat ook aan het na de inbewaringstelling gehouden gehoor van de vreemdeling ter nadere vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit gewicht toekomt. Dat gehoor is gericht op de verkrijging van gegevens die van directe betekenis zijn voor de bewerkstelliging van de beoogde uitzetting. Voor de overige handelingen die de staatssecretaris in de bedoelde periode van elf dagen heeft verricht, geldt dat niet. Die handelingen zijn voor de beoordeling of voldoende voortvarend te werk is gegaan slechts in zoverre van belang dat daaruit valt af te leiden dat het proces van verdere ambtelijke voorbereiding in werking is gezet en gaande is geweest. Dat heeft erin geresulteerd dat op 27 februari 2009 een vertrekgesprek met de vreemdeling is gevoerd en een aanvraag om afgifte van een laissez passer is ingevuld. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij het verrichten van handelingen die van directe betekenis zijn voor de uitzetting van de vreemdeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl