ABRvS 20 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4680
Vreemdelingenbewaring / horen nà de inbewaringstelling / problemen met het regelen van een tolk / belangenafweging De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, vastgesteld dat de vreemdeling 18 uur na de inbewaringstelling is gehoord en overwogen dat aannemelijk is dat dit het gevolg is geweest van problemen met het regelen van een tolk in de Wolof taal, waardoor de staatssecretaris niet in staat is geweest om de vreemdeling voor de inbewaringstelling te horen. Gelet op het vorenstaande kan niet worden gezegd dat de vreemdeling door deze handelwijze van de staatssecretaris in zijn processuele belangen is geschaad en dat dit temeer klemt, nu voldoende gronden aanwezig zijn die de maatregel van bewaring kunnen dragen, aldus de rechtbank. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat de staatssecretaris hem voor de inbewaringstelling had kunnen horen, indien daartoe de termijn van ophouding krachtens artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 met acht en veertig uren zou zijn verlengd. [...] De door de vreemdeling bestreden overweging van de rechtbank kan, in het licht van de daartoe strekkende beroepsgrond, niet anders worden verstaan dan dat zij het horen na de inbewaringstelling vanwege problemen met het regelen van een tolk in Wolof taal gerechtvaardigd heeft geacht en kennelijk van oordeel was dat die problemen ertoe leidden dat het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kon worden afgewacht. Bovendien blijkt uit deze overweging niet dat de rechtbank van oordeel is dat aan het vereiste van artikel 5.2, derde lid, van het Vb 2000, dat zo spoedig mogelijk wordt gehoord, niet is voldaan. In dit opzicht onderscheidt deze zaak zich van die, welke door de Afdeling bij uitspraak van 26 maart 2007 in zaak nr. 200701243/1 (JV 2007/227) is beoordeeld en waarnaar de rechtbank verwijst. Anders dan in die zaak is in de onderhavige zaak voor een nadere belangenafweging dus geen plaats. Dit is door de rechtbank niet onderkend. De grief, voor zover gericht tegen de belangenafweging van de rechtbank, kan daarom niet tot het ermee beoogde resultaat leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl