ABRvS 5 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG6783
Vreemdelingenbewaring / onrechtmatige staandehouding / Wet wapens en munitie Niet in geschil is dat de vreemdeling op grond van artikel 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie in het veiligheidsrisicogebied is gefouilleerd, dat de vreemdeling zich daartegen niet heeft verzet en dat daarbij geen verdenking ter zake van het plegen van een strafbaar feit is gerezen. Evenmin is in geschil dat, mede gelet op de Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht (2004A016) van het College van procureurs-generaal van 7 december 2004 (Stcrt. 2004, 247), de desbetreffende ambtenaren niet op grond van de Wet wapens en munitie bevoegd waren de vreemdeling louter vanwege diens aanwezigheid in het veiligheidsrisicogebied naar zijn identiteit te vragen dan wel zijn identiteitsbewijs te vorderen. Anders dan de staatssecretaris ter zitting heeft betoogd, kan deze bevoegdheid in dit geval ook niet op artikel 2 van de Politiewet 1993 worden gebaseerd, aangezien het proces-verbaal van bevindingen van 3 november 2008 geen feiten en omstandigheden bevat die een aanknopingspunt kunnen bieden voor een situatie als bedoeld in deze bepaling, waarin het de desbetreffende ambtenaren in het kader van een redelijke taakuitoefening wel zou vrijstaan de vreemdeling na het op de Wet wapens en munitie gebaseerde preventief fouilleren langer op te houden en onderzoek naar zijn identiteit te doen. Daartoe is, gelet op het verloop en de uitkomst van de fouillering, niet voldoende dat de desbetreffende ambtenaren, zoals in dat proces-verbaal is vermeld, zeker wilden weten met wie zij op dat tijdstip van de dag in het veiligheidsrisicogebied te maken hadden. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de controle op de identiteit van de vreemdeling in het kader van de uitoefening van de in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid heeft plaatsgevonden. Zodanige controle kan echter eerst plaatsvinden, indien sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, als bedoeld in dat artikellid. De rechtbank heeft dat niet onderkend en derhalve ten onrechte overwogen dat de vreemdeling in het kader van de uitoefening van strafrechtelijke bevoegdheden naar zijn identiteitsbewijs is gevraagd. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl