Conclusie A-G Vegter 12 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:984

Voorhanden hebben wapen en munitie, art. 26.1 WWM. Vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en bewijsuitsluiting. Hadden verbalisanten bevoegdheid inzage van het identiteitsbewijs van verdachte te vorderen ex art. 8.1 Politiewet 2012? Het Hof heeft bij de verwerping van het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer dat vordering onrechtmatig is geschied, betrokken de omstandigheid dat de verbalisanten inzage van het identiteitsbewijs van verdachte hebben gevorderd nadat deze driemaal een andere naam had opgegeven. Gelet op het p-v van bevindingen van politie, dat inhoudt dat verdachte eerst na het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs valse namen had opgegeven, is 's Hofs motivering in zoverre niet begrijpelijk. Dit gebrek in de motivering behoeft niet tot cassatie te leiden. Ook met weglating van de omstandigheid dat verdachte voorafgaande aan het vorderen van inzage van het identiteitsbewijs driemaal een andere naam had opgegeven, heeft het Hof niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat het vorderen van inzage van het legitimatiebewijs van verdachte redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak a.b.i. art. 8.1 Politiewet 2012. Daarbij neemt HR i.h.b. in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte omstreeks 03.15 uur is aangetroffen in een garagebox in een boxgang waarvan het de verbalisanten ambtshalve bekend was dat daar in het verleden gestolen goederen waren aangetroffen. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken