ABRvS 10 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8594

Regulier / aanvraag niet op wettelijk voorgeschreven plaats ingediend, toch rechtmatig verblijf / nieuwe “Brummen” overweging Het bij artikel 3.101, tweede lid, van het Vb 2000 bepaalde inzake het indienen van de aanvraag heeft alleen betrekking op de plaats van indiening. Dat aan deze bepaling in dit geval niet is voldaan, brengt niet met zich dat geen sprake is van een aanvraag, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Nu ook uit artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet volgt dat voor het van toepassing zijn van deze bepaling is vereist dat een aanvraag op de wettelijk voorgeschreven plaats is ingediend, heeft de vreemdeling met ingang van 15 mei 2008 rechtmatig verblijf. De grief slaagt. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In deze situatie zouden die gronden bij de Afdeling slechts aan de orde kunnen komen, indien sprake is van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. De Afdeling, die tot dusver het criterium "onverbrekelijke samenhang" bezigde, sluit met het inhoudelijk identieke criterium "nauwe verwevenheid" aan bij de terminologie die de Centrale Raad van Beroep in gevallen als deze hanteert. Van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld, is in dit geval geen sprake. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen