Rb. 's-Gravenhage 15 oktober 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4540

In geschil is of ten aanzien van eiser sprake is van ‘personal participation’, in die zin dat eiser een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiser, in zijn hoedanigheid als Udhu Firqa, met het doorgeven van partijinstructies aan lagere partijleden uitvoering heeft gegeven aan voornoemde decreten en daarmee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de misdrijven tegen de menselijkheid waartoe de decreten oproepen. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat noch uit eisers eigen verklaringen, noch uit algemene bronnen is gebleken dat de partijinstructies waarover eiser spreekt en die hij diende uit te voeren, de decreten zijn waarmee verweerder eiser in het bestreden besluit in verband brengt. Evenmin is uit eisers verklaringen noch uit de algemene bronnen af te leiden dat eiser anderszins betrokkenheid had bij (het faciliteren van de) uitvoering van de decreten. Nu in rechte is komen vast te staan dat ten aanzien van eiser geen sprake is van het plegen van en opdracht geven tot de misdrijven tegen de menselijkheid waartoe de decreten opdragen, het besluit een draagkrachtige motivering ontbeert voor de conclusie dat eiser bedoelde handelingen gefaciliteerd heeft, oordeelt de rechtbank dat verweerder eiser ten onrechte artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen en het asielrelaas van eiser ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld heeft. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen