ABRvS 12 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8500
1F Vluchtelingenverdrag / onthouden verblijfsvergunning niet disproportioneel / bijzondere omstandigheden / terughoudende toets Het staat primair aan de staatssecretaris ter beoordeling of zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het onthouden van enige verblijfstitel zonder op voorzienbare termijn over te gaan tot uitzetting uit Nederland disproportioneel zou zijn. De rechtbank dient dit oordeel met terughoudendheid te toetsen. Dat de vreemdeling, naar gesteld, de inburgeringscursus al achter de rug heeft en de opleiding geneeskunde in Nederland bijna heeft afgerond, heeft de minister niet als een bijzondere omstandigheid die tot disproportionaliteit leidt hoeven aanmerken. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat aan de echtgenote en kinderen van de vreemdeling hier te lande een zelfstandige verblijfsvergunning asiel op de grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 is verleend, reeds omdat het niet verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling onverlet laat dat hij bij zijn gezin zal kunnen blijven. Wat betreft het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM, in het bijzonder het recht op respect voor het privé-leven voor zover ook omvattend de mogelijkheid tot beroepsuitoefening, overweegt de Afdeling dat dit recht niet zo ver strekt dat op grond daarvan toelating verleend moet worden aan een vreemdeling op wie de staatssecretaris artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag heeft toegepast. Het besluit is in het licht hiervan voldoende gemotiveerd. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl