ABRvS 30 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA6588
Schadevergoeding / verlening mvv / nationale procedure geen beperking van rechten uit Overeenkomst Appellante is, nadat haar een machtiging tot voorlopig verblijf was verleend, Nederland ingereisd en heeft op 2 oktober 2002 een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'het verrichten van arbeid als zelfstandige' te verlenen. Ingevolge artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 dient binnen zes maanden op deze verblijfsaanvraag te worden beslist. Nu appellante op 20 januari 2003, ruim drie en een halve maand na de aanvraag, de door haar gevraagde verblijfsvergunning is verleend, heeft de minister derhalve binnen de door de wet voorgeschreven termijn op de verblijfsaanvraag beslist. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat de minister, door niet onverwijld op de verblijfsaanvraag te beslissen, onrechtmatig jegens appellante heeft gehandeld. Anders dan appellante stelt, biedt artikel 58, eerste lid, van de Overeenkomst noch de jurisprudentie van het HvJEG aanknopingspunten voor het oordeel dat, na verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in afwijking van de in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde termijn, onverwijld op de verblijfsaanvraag moet worden beslist. Immers, dat is voldaan aan het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, maakt niet dat daarmee ook is voldaan aan alle in de Nederlandse wetgeving gestelde voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning en het daaraan gekoppelde en aan de Overeenkomst ontleende recht om arbeid te verrichten als zelfstandige. Niet is gebleken dat door de procedure waarin is getoetst of aan alle voorwaarden van vergunningverlening is voldaan de effectiviteit van het aan artikel 44, eerste lid, van de Overeenkomst ontleende recht van vestiging en de daaruit voortvloeiende rechten van toelating, verblijf en het verrichten van arbeid als zelfstandige teniet wordt gedaan of op ontoelaatbare wijze is beperkt. Het door appellante gevoerde betoog slaagt derhalve niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl