ABRvS 16 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE9002
Weigering in te stemmen met overname van makelaardij door toegelaten instelling als bedoeld in art. 70 Woningwet is niet gericht op rechtsgevolg. Besluit inhoudende een aanwijzing ingevolge art. 41.1 Besluit beheer sociale-huursector (BBSH) om de voorgenomen overname van de besloten vennootschap X B.V. achterwege te laten. Bij besluit op bezwaar is deze aanwijzing ingetrokken, onder handhaving van de weigering in te stemmen met de voorgenomen overname. Afdeling: Voor het hier te beoordelen onderdeel van de beslissing op bezwaar, de gehandhaafde weigering om in te stemmen met de overname, geldt dat na de intrekking van de aanwijzing het rechtsgevolg aan die beslissing is ontnomen. Derhalve is geen sprake van een besluit, tenzij nog een op rechtsgevolg gericht bestuurlijk rechtsoordeel resteert. Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit onderdeel van de beslissing op bezwaar, dat door appellant wordt gekarakteriseerd als "slechts een beoordeling vooraf", als een bestuurlijk rechtsoordeel gelijk te stellen met een besluit in de zin van art. 1:3.1 Awb. Voor een toegelaten instelling als bedoeld in art. 70 Woningwet staat een andere, niet onevenredig bezwarende weg open om duidelijkheid te verkrijgen met betrekking tot het oordeel van de minister ten aanzien van een voorgenomen verbinding in de zin van art. 11.2 BBSH. De toegelaten instelling heeft immers de mogelijkheid om voorafgaand aan de overname een aanwijzing in de zin van art. 41.1 BBSH uit te lokken. De aan de aanwijzing te verbinden gevolgen, zoals vermeld in het besluit van 2 mei 2000, waarin toepassing van art. 43.1 BBSH in het vooruitzicht wordt gesteld, acht de Afdeling niet onevenredig bezwarend. Het betoog van appellant, dat het in de circulaire MG 99-23 bepaalde moet worden gezien als gedoogbeleid en het onderhavige besluit als een weigering om dit gedoogbeleid toe te passen, hetgeen als een appellabel besluit dient te worden aangemerkt, faalt. De schriftelijke mededeling dat niet zal worden gedoogd is, behoudens bijzondere omstandigheden, geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Tot deze bijzondere omstandigheden behoren gevallen waarin met de overtreding nog geen aanvang is gemaakt en aan het verzoek om een gedoogverklaring zeer klemmende, concrete gronden voor het aannemen van een rechtsplicht tot gedogen ten grondslag liggen. Daarvan is de Afdeling in het onderhavige geval niet gebleken. De uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2000 in zaak nr. 199902942/1 maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande is het bestreden onderdeel van de beslissing van appellant van 8 september 2000 niet op rechtsgevolg gericht en derhalve niet als besluit in de zin van art. 1:3.1 Awb aan te merken. De rechtbank heeft dit miskend. De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, appellant. mrs. J.A.E. van der Does, T.M.A. Claessens, B.J. van Ettekoven Hoger beroep van rechtbank Rotterdam d.d. 10 augustus 2001, opgenomen onder LJN url(''AD4728'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AD4728) .
De uitspraak op rechtspraak.nl