Rb. Rotterdam 18 augustus 2001, ECLI:NL:RBROT:2001:AD4728
Preventief toezicht ten aanzien van het aangaan van verbindingen door toegelaten instellingen met andere rechtspersonen is per 1 juli 1998 (wijziging BBSH) in strijd met de wet. Mededeling verweerder dat de door eiseres voorgenomen overname van een BV achterwege moet worden gelaten. Ingaande 1 juli 1998 zijn in het BBSH de artt. 34-38 vervallen waarmee ook het preventief toezicht op het aangaan van verbindingen met rechtspersonen door een toegelaten instelling is afgeschaft. In art. 11 BBSH e.v. is geregeld welke activiteiten een toegelaten instelling mag ontplooien. Uit het sedert 18 mei 1998 in werking getreden art. 11d BBSH volgt dat voor de daar (limitatief) omschreven activiteiten een meldingsplicht aan verweerder voor de toegelaten instellingen is opgenomen. Ten aanzien van het aangaan van verbindingen met andere rechtspersonen is na de wijziging van het BBSH geen meldingsplicht opgenomen. Voor zover verweerder met haar besluit heeft bedoeld op basis van de circulaire MG 99-23 een preventief toezicht uit te oefenen ten aanzien van het aangaan van verbindingen door toegelaten instellingen met andere rechtspersonen, acht de rechtbank daarvoor geen (voldoende) grondslag aanwezig aangezien dit niet uit de tekst van de circulaire volgt. Zo dit anders zou zijn, is dit bovendien in strijd met de wet nu verweerder sedert 1 juli 1998 op grond van het BBSH bedoelde bevoegdheid niet meer heeft. Vernietigt het bestreden besluit. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. mrs. J. Riphagen, M.J.L. Lamers-Wilbers, S.S. van Nijen
De uitspraak op rechtspraak.nl