Rb. Zeeland-West-Brabant 9 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8798
Een verzoek om voorlopige voorziening wegens twee lasten onder dwansommen die zijn opgelegd omdat arbeidsmigranten gehuisvest worden op een wijze die volgens het college daar niet mag. De vraag is of de wijze van huisvesten valt onder het verstrekken van nachtverblijf. Onduidelijk blijft of sprake is van een overtreding. De voorziening wordt daarom toegewezen en de lasten onder dwansom worden geschorst.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/4385 en 26/4386
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2026 in de zaken tussen
NHVP B.V. en New Horizons Groep B.V., uit Breda, verzoekers
(gemachtigde: mr. I.E. Duijts),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk
(gemachtigde: mr. dr. M. van Houten).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [persoon 1] uit [plaats] en [persoon 2] uit [plaats] (de omwonenden).
Samenvatting
1 Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het opleggen van een last onder dwangsom wegens het in strijd met het omgevingsplan huisvesten van arbeidsmigranten in een hotel aan de [adres 2] (hierna: het hotel). Verzoekers (de eigenaar en huurder van het hotel) zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
Procesverloop
2 Op 22 januari en 1 februari 2026 hebben de omwonenden gevraagd handhavend op te treden tegen de huisvesting van arbeidsmigranten. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft het college dit verzoek toegewezen en aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1 Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De omwonenden hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.2 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 3] , directeur van beide verzoekers namens verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college en de omwonenden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3 In mei 2024 is een exploitatievergunning verleend voor het hotel. De vergunning is verleend aan [hotel] dat ook bekend staat onder de handelsnaam [handelsnaam hotel] .
3.1 Op 22 januari en 1 februari 2026 vragen de omwonenden om handhavend op te treden tegen de huisvesting van arbeidsmigranten. Zij klagen over parkeeroverlast, waardevermindering van de woning en afbreuk aan het woon- en leefklimaat. Naar aanleiding hiervan spreekt het college op 29 mei 2026 het voornemen uit om een last onder dwangsom op te leggen.
3.2 Op 15 juni dienen verzoekers een uitgebreide zienswijze in. Daarbij zijn een aantal bijlagen gevoegd, waaronder verklaringen van omwonenden die onderbouwen dat de overlast meevalt.
3.3 Op 14 juli 2026 legt het college desalniettemin een last onder dwangsom op. Het college heeft de begunstigingstermijn verlengd tot de zevende dag na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Situatie
4 Partijen zijn het grotendeels eens over de feitelijke situatie. Het hotel heeft vijftien kamers. Een zestiende kamer is voorzien van een keukentje en doet dienst als keuken en ontbijtzaal. De woning op de eerste verdieping is bij het hotel getrokken. In het hotel verblijven medewerkers van uitzendbureau [uitzendbureau 1] en (incidenteel) van [uitzendbureau 2] . Er is geen receptie. Medewerkers krijgen een cijfercode om binnen te kunnen en kunnen telefonisch vragen stellen. Gasten zorgen zelf voor eten, schone kleding en schone kamers. Huisregels zijn aangebracht op een bord, waarop de gegevens van [uitzendbureau 1] staan. Gasten worden niet in de basisregistratie ingeschreven.
Onder het hotel is een cafégedeelte waar ook alcoholhoudende dranken worden verstrekt.
4.1 In hun zienswijze geven eisers aan dat er wel degelijk een gastenregistratie en nachtregister is. De identiteit van de gasten wordt van te voren gecontroleerd. Er wordt toeristenbelasting ingehouden en de gemeenschappelijke ruimtes worden dagelijks schoongemaakt. Er is een maaltijdservice en een gemeenschappelijke ontbijtruimte.
Gasten worden aangebracht via EU Facility Services B.V. Van 1 november 2025 tot en met 12 juni 2026 zijn er 148 boekingen en 112 nieuwe gasten geregistreerd. De gemiddelde verblijfsduur is 20,44 nachten. 2 gasten verbleven lang, te weten 130 en 101 nachten. Gemiddeld zijn 11,78 kamer bezet door gemiddeld 11,78 gasten. Online boekingen zijn niet mogelijk omdat het hotel vol zit.
4.2 Het college leidt uit de gesprekken met arbeidsmigranten en de controle van het overgelegde nachtregister overigens veel langere verblijfsduren af dan eisers aangeven.
Omgevingsplan gemeente Moerdijk
5 Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu gedeeltelijk uit een tijdelijk deel. De regels van het (voormalig) bestemmingsplan ‘Kern Zevenbergschen Hoek’ en het ‘Veegplan kernen 2017’ maken onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
5.1 Het perceel waarop het hotel is gevestigd, heeft de bestemming ‘wonen’ met de functie-aanduiding ‘horeca’. Hierin is wonen in zelfstandige wooneenheden toegestaan. Daarnaast is een horecabedrijf uit ten hoogste de categorie ‘horeca 1’ toegestaan. Daaronder vallen bedrijven die gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken.
Inhoudelijke afweging
6 Omwonenden klagen over overlast en over het niet-nakomen van gewekte verwachtingen. Hoewel begrijpelijk, gaat het hier om een handhavingskwestie. Daarbij is bepalend welke regels volgens het college zijn overtreden en of die overtreding kan worden vastgesteld. Dat de omwonenden de indruk hebben gekregen dat het pand als fietshotel zou worden gebruikt en dat het huidig gebruik anders is, kan in deze procedure geen doorslaggevende rol spelen.
6.1 Het college heeft overtreding van de omgevingswet ten grondslag gelegd aan het handhavingsbesluit, omdat het pand in strijd met het omgevingsplan zou worden gebruikt. Verzoekers stellen dat het gebruik past binnen de functieaanduiding Horeca 1 en de daarbij behorende regels. Daarmee is de centrale vraag in dit geschil of het hier gaat om het ‘verstrekken van nachtverblijf’. Op grond van jurisprudentie komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het motief van het verblijf (toeristisch of zakelijk) niet van belang en dat de aanwezigheid van receptie, gastenregistratie, nachtregister, schoonmaak en maaltijdenservice relevante factoren kunnen zijn, maar dat vooral bij een bestemming Hotel. Bij een functieaanduiding die het verstrekken van nachtverblijf toelaat, draait het vooral om de duur van het verblijf per gast.
6.2 Duidelijke grenzen aan die duur zijn uit de jurisprudentie niet op te maken. Het moet in ieder geval wel om tijdelijk verblijf gaan. Voor een hotel wordt doorgaans uitgegaan van kortdurend verblijf tot gemiddeld gesproken maximaal één week. Het college wijst op jurisprudentie dat huisvesting van arbeidsmigranten voor de duur van hun arbeidsverhouding niet kan worden aangemerkt als hotel en daarmee ook niet op een lijn kan worden gesteld, maar dat is hier minder relevant, omdat de functie hier immers geen hotel is.
Van wonen is sprake bij verblijf van 6 maanden of meer (maar in de jurisprudentie wordt soms al vanaf 3 maanden over wonen gesproken), maar ook dat is hier minder relevant omdat voor partijen en de voorzieningenrechter voldoende vaststaat dat hier geen sprake is van Wonen.
Dan resteert de vraag wanneer er sprake is van het ‘verstrekken van nachtverblijf’ omdat dat hier bepalend is. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat dat verblijf is toegestaan als het kortdurend is, maar ook als dat drie maanden duurt en zelfs mogelijk tot zes maanden.
6.3 Verzoekers stellen dat het gemiddeld verblijf per persoon drie weken was en dat dat nu terug is gegaan naar twee weken of minder. Daarvan uitgaande is hier geen sprake van een overtreding. Zouden gasten aanzienlijk langer verblijven, dan is er mogelijk wel sprake van een overtreding van de planregels.
6.4 De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat de overtreding nog niet duidelijk genoeg vaststaat. Het college moet zich daar opnieuw over buigen en dat kan in het kader van de behandeling van het bezwaar. Totdat daar in de beslissing op bezwaar meer duidelijkheid over wordt geboden, staat onvoldoende vast dat er sprake is van een overtreding. De voorzieningenrechter zal daarom de bestreden besluiten schorsen tot twee weken na de beslissing(en) op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
7 De voorzieningenrechter zal de voorlopige voorziening toekennen en de bestreden besluiten opschorten tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing(en) op bezwaar.
7.1 Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht vergoeden en krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Omdat de gemachtigde feitelijk één verzoekschrift heeft ingediend en één keer de zitting heeft bijgewoond gelden de zaken als samenhangende zaken en hoeft het college deze vergoeding maar één keer te betalen.
Het griffierecht bedraagt € 397,-. Het college moet dit aan beide verzoekers vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de door beide verzoekers gevraagde voorlopige voorziening toe;
- schorst de bestreden besluiten tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 397,- aan beide verzoekers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van in totaal € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.1:
1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[.]
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
[.]
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Veegplan kernen 2017
Artikel 6 Begrippen met betrekking tot wonen
Het veegplan definieert de volgende begrippen als volgt:
woning: een complex van ruimten, niet zijnde onzelfstandige woonruimte, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
wonen: het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning;
onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft of die niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte;
Kern Zevenbergschen Hoek
14.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het wonen en aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover het vloeroppervlak ten behoeve van de laatstbedoelde activiteiten niet meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen, met een maximum van 50 m²;
[.]
ter plaatse van de aanduiding 'horeca': tevens voor horeca uit ten hoogste categorie 'horeca 1';
[.]
k. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.