Rb. Zeeland-West-Brabant 22 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2334
Werknemer heeft borstkanker met uitzaaiingen. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt na afloop van de overeengekomen duur door werkgever niet voortgezet. Werkgever heeft al bij het aangaan van de derde en laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan de aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 aanhef en onder a. BW voldaan, zodat werknemer geen recht heeft op een aanzegvergoeding. Aan de verzochte billijke vergoeding heeft werknemer ten grondslag gelegd dat werkgever bij het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst in strijd heeft gehandeld met de artikelen 1 en 4 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna te noemen: Wgbh/cz). Uitgangspunt is dat het de werkgever vrij staat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na afloop van de overeengekomen duur niet voort te zetten, maar dat is niet het geval als de werkgever de arbeidsovereenkomst niet verlengt vanwege een chronische ziekte of handicap van de werknemer. Een handicap en/of chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz moet conform rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden opgevat als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Weliswaar herstelt werknemer in dit geval mogelijk volledig, maar daarvan is nog geen sprake en dat is ook nog allerminst zeker. Bovendien zal werknemer sowieso nog lange tijd onderworpen zijn aan extra controles. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat werknemer lijdt aan een chronische ziekte en dat dit werkgever niet onbekend was. Er is een sterk vermoeden dat de chronische ziekte van werknemer een rol heeft gespeeld bij het niet voorzetten van de arbeidsverhouding. Werkgever wil geen motivering geven, maar heeft wel gezegd werknemer weer in dienst te willen nemen na haar herstel. Bovendien staat vast dat werknemer goed functioneerde. Op grond van artikel 10 Wgbh/cz krijgt werkgever de opdracht te bewijzen dat de chronische ziekte geen rol heeft gespeeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl