Rb. Zeeland-West-Brabant 27 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2061

Artt. 45 lid 3 sub b en 122 lid 1 Rv; art. 7A:1655 BW; 6:22; 6:90 en 6:277 BW. Koopovereenkomst betreffende 450 ton uien. Procedureel: gebrek in dagvaarding. Eisende partij volgens het exploot is een niet bestaande maatschap. Dit leidt echter niet tot nietigheid van de dagvaarding. Het gebrek heeft gedaagde (koper) niet onredelijk in haar belangen geschaad. Ook het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen. Weliswaar is een maatschap geen rechtspersoon en heeft die geen procesbevoegdheid maar wanneer de gezamenlijke vennoten onder de naam van de maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelnemen kan in de dagvaarding worden volstaan met de naam van de maatschap. Materieel: onduidelijke afspraken tussen commissionair en koper. Koper beroept zich ten onrechte op een opschortende voorwaarde. Het verweer van koper dat de eerste vrachtauto’s met in totaal ca. 100 ton uien een proeflevering betrof die eerst door de Poolse afnemer zou worden gekeurd alvorens meer zou worden afgenomen, wordt verworpen. Koper was ook niet bevoegd de overeenkomst te ontbinden en diende de resterende partij tegen de overeengekomen prijs af te nemen. Door koper gestelde non-conformiteit van de al geleverde uien kan in rechte niet worden vastgesteld. Koper heeft ten onrechte betaling van de helft van de koopsom achtergehouden. Doordat koper het restant niet ophaalde heeft eisende partij de overeenkomst ontbonden en is de resterende partij uien tegen een lagere prijs aan een derde verkocht. De vordering tot betaling van een schadevergoeding ter grootte van het verschil wordt toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken