Rb. Zeeland-West-Brabant 5 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1400

Onderzoek Nelson, veroordeling voor deelname aan twee criminele organisaties, het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne, het meermalen medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet en het meermalen medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet. Gevangenisstraf van 7 jaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-259221-22
vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985
wonende te [woonadres]
raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 en 31 oktober 2023, 3, 6 en 10 november 2023, waarbij de officieren van justitie, mr. E.H. Smale en mr. S. Massier, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt, waarna het onderzoek is gesloten op 5 maart 2024.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1: in de periode van 11 december 2016 tot en met 4 februari 2022 deel heeft genomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van valsheid in geschrifte en witwassen;

2: in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 maart 2021 deel heeft genomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van strafbare feiten als bedoeld in de Opiumwet;

3: in de periode van 2 maart 2020 tot en met 2 maart 2021 samen met anderen meermalen de invoer en het transport van cocaïne heeft voorbereid; 4: op 9 september 2020 samen met anderen cocaïne heeft ingevoerd of aanwezig heeft gehad;

5: in de periode van 7 september 2020 tot en met 16 september 2020 in totaal 90 kilo cocaïne aanwezig heeft gehad en vervoerd en daarvan 26 kilo heeft verkocht, verstrekt en afgeleverd.

3 De voorvragen

3.1 Geldigheid van de dagvaarding
De dagvaarding is geldig.

3.2 Bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd.

3.3 Ontvankelijkheid officieren van justitie

3.3.1 Standpunt verdediging
De verdediging voert aan dat het SkyECC onderzoek ten onrechte en onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Er was immers geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie. Bovendien zijn witwassen en valsheid in geschrifte geen feiten die naar hun aard ernstig ontwrichtend zijn, zodat op basis daarvan geen toestemming voor onderzoek aan Sky-gegevens had kunnen worden verkregen van de rechter-commissaris. Daarnaast blijkt uit het rechtshulpverzoek aan Noorwegen dat de politie al voordat de rechter-commissaris toestemming had gegeven inzage had in de Sky-gegevens die later aan verdachte zijn gekoppeld. Hierdoor wisten de officieren van justitie al voordat zij toestemming vroegen dat de Sky-gegevens voor verdachte belastende informatie zouden opleveren. Naar de mening van de verdediging is aldus aan de rechter-commissaris een vertekend beeld geschetst toen om toestemming werd gevraagd voor het onderzoek van de Sky-gegevens. Daarmee is sprake van een doelbewuste en in ieder geval grove schending van de belangen van verdachte en zijn recht op een eerlijk proces. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging van verdachte voor feiten 2 tot en met 5.

3.3.2 Standpunt officieren van justitie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er meer dan voldoende verdenking tegen verdachte was. Dit blijkt uit het proces-verbaal van verdenking tegen verdachte in samenhang met het proces-verbaal van verdenking tegen zijn vader [medeverdachte 1] . Het feit deelname aan een criminele organisatie gericht op het plegen van valsheid in geschrifte en witwassen is naar de mening van de officieren van justitie voldoende ernstig om een verzoek om toegang tot de Sky-gegevens te dragen. Bovendien is het verzoek om toegang te mogen krijgen tot de Sky-gegevens getoetst door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft de onderbouwing voldoende bevonden. Hierdoor komt aan de rechtbank nog slechts een marginale toets toe.
Voor zover de politie al voorafgaand aan de toestemming door de rechter-commissaris beschikte over Sky-gegevens die gekoppeld kunnen worden aan verdachte, zijn deze gegevens afkomstig uit het zogenoemde B-kader in een ander onderzoek. Voor zover er al sprake zou zijn van een vormverzuim dan is dit verzuim al hersteld door de toestemming van de rechter-commissaris. Als de rechtbank van mening is dat het verzuim onvoldoende hersteld is, dan is niet gebleken dat de belangen van verdachte zijn geschaad. In dat geval hoeft er geen consequentie aan het verzuim te worden verbonden. Op basis van het voorgaande zijn de officieren van justitie van mening dat zij ontvankelijk zijn in de vervolging van verdachte ten aanzien van alle verweten feiten.

3.3.3 Toetsingskader
De rechtbank stelt vast dat op basis van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en vaste jurisprudentie het mogelijk is de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wanneer er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waarbij de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank zal hierna per verweer beoordelen of er sprake is van een situatie die dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie.

3.3.4 Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de kern van het verweer van de verdediging de toestemming van de rechter-commissaris voor het gebruik van de Sky-gegevens betreft, te weten de (aanvullende) toestemming van 13 april 2021. De rechtbank stelt voorop dat zij deze toestemming marginaal toetst en derhalve zal beoordelen of de rechter-commissaris in redelijkheid toestemming voor onderzoek naar de aan verdachte toegeschreven Sky-id’s heeft kunnen geven.
Aan het verzoek om (aanvullende) toestemming lag ten grondslag de verdenking dat verdachte zich, in georganiseerd verband met in ieder geval zijn vader, bezighield met witwassen en valsheid in geschrift. Zoals hieronder in paragraaf 4.3.2.1 nader zal worden gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat de informatie die op dat moment over verdachte bekend was, voldoende was voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van deze delicten.
Uit het onderzoek naar de witwasverdenking ontstond ook het vermoeden dat verdachte beschikte over een telefoon die gebruik maakte van de Sky-applicatie. Uit gegevens die binnen het onderzoek Werl al bekend waren, heeft de politie afgeleid dat verdachte de gebruiker was van de Sky-id’s [accountnaam 1] en [accountnaam 2] . Om een goed beeld te krijgen van het samenwerkingsverband en de daarin opererende personen is op 2 april 2021 aan de rechter-commissaris aanvullende toestemming gevraagd om onderzoek te mogen doen naar de via SkyECC gevoerde communicatie van deze Sky-id’s, en de communicatie van hun contacten met anderen (kader A/B).
De verdediging heeft erop gewezen dat uit het rechtshulpverzoek aan Noorwegen kan worden afgeleid dat bij de officieren van justitie al eerder – op 21 maart 2021 – bekend was dat verdachte de gebruiker was van genoemde Sky-id’s. Deze informatie is achtergehouden bij het vragen om toestemming en dit is volgens de verdediging onrechtmatig. De rechtbank passeert dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat aan de rechter-commissaris bij deze toets ontlastende informatie uit het andere onderzoek is onthouden. Dat de officieren van justitie mogelijk voor verdachte belastende informatie uit het onderzoek niet hebben gedeeld met de rechter-commissaris, is naar het oordeel van de rechtbank niet in het nadeel van verdachte.
De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat witwassen en valsheid in geschrifte in georganiseerd verband voldoende grond geven voor het verlenen van de gevraagde toestemming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot dit oordeel kunnen komen. Witwassen en valsheid in geschrift kunnen wel degelijk een ontwrichtende werking hebben op de maatschappij. Het zijn juist deze feiten die ervoor zorgen dat criminele inkomsten op kunnen gaan in het reguliere betalingsverkeer. Om die reden worden witwassen en valsheid in geschrift ook regelmatig gezien in combinatie met strafbare feiten met een ondermijnend karakter zoals de handel in drugs. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beslissing van de rechter-commissaris ook op dit punt niet onbegrijpelijk is.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek aan de Sky-gegevens op een rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van een onrechtmatige schending van de privacy van verdachte en ook geen schending van zijn belang bij een eerlijk proces. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de officieren van justitie dan ook niet doelbewust in strijd met of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte gehandeld.

3.3.5 Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging ten aanzien van alle verweten feiten.

3.4 Schorsing van de vervolging
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van valsheid in geschrifte en witwassen. Zij zijn echter van oordeel dat [naam 1] geen onderdeel uitmaakte van deze organisatie. Zij verzoeken verdachte daarom vrij te spreken van de samenwerking met [naam 1] binnen deze organisatie als opgenomen in feit 1.
Daarnaast achten de officieren van justitie de handelingen met betrekking tot cocaïne, als genoemd in feiten 3 tot en met 5, wettig en overtuigend bewezen. Deze feiten in combinatie met andere feiten en omstandigheden in het dossier leveren bovendien het bewijs voor de criminele organisatie met als oogmerk het plegen van drugsgerelateerde feiten. De officieren van justitie zijn van mening dat verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hieraan, ieder vanuit hun eigen rol, hebben deelgenomen. Hiermee kan ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1:
Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest. Hierdoor is de privacy van verdachte geschaad. Dit is een onherstelbaar vormverzuim op grond waarvan alle vruchten uit het onderzoek uitgesloten zouden moeten worden van het bewijs. Gelet daarop is er onvoldoende bewijs en moet verdachte vrijgesproken worden.
Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte te goeder trouw handelingen heeft verricht in het kader van de reguliere horlogehandel van zijn vader. Hierdoor kwam hij ook in contact met contacten van zijn vader. Verdachte had echter geen opzet op witwassen of valsheid in geschrifte. Deze feiten worden verdachte bovendien ook niet als losstaande feiten verweten. De verdediging is van mening dat er geen sprake is van een criminele organisatie. Indien er wel sprake is van een criminele organisatie dan kan niet vastgesteld worden dat verdachte hieraan deel heeft genomen. Op grond van het voorgaande verzoekt de verdediging ook subsidiair om verdachte vrij te spreken.
Ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5 gezamenlijk:
De verdediging herhaalt wat zij heeft aangevoerd over de ontvankelijkheid van de officieren van justitie. Indien de rechtbank de officieren van justitie ontvankelijk acht, dan dient het ingenomen standpunt, volgens de verdediging, te leiden tot bewijsuitsluiting van al het bewijs op basis van SkyECC. Aangezien de feiten 2 tot en met 5 volledig gebaseerd zijn op bewijs uit SkyECC, zou verdachte integraal vrijgesproken moeten worden van deze feiten. Mocht dit verweer niet slagen dan stelt de verdediging zich ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5 op de volgende standpunten.
Ten aanzien van feit 2: De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een criminele organisatie. Zij verzoekt verdachte dan ook vrij te spreken van dit feit.
Ten aanzien van feit 3: De verdediging heeft geen opmerkingen over feit 3.
Ten aanzien van feit 4: De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat er iets is ingevoerd vanuit België. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van cocaïne. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van dit feit.
Ten aanzien van feit 5: De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de verschillende gesprekken in het dossier niet vastgesteld kan worden dat er sprake is van cocaïne. De foto van een blok en de genoemde prijzen bieden hiervoor onvoldoende ondersteuning. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van dit feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken