HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3142

Begrippen “feit” en “vervoeren” in de Ow. Art. 10a.1 Ow stelt, in verbinding met art. 10.3 en art. 2.1, aanhef en onder B, Ow, vzv. hier van belang, strafbaar het voorbereiden of bevorderen van het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen, waaronder heroïne. Het middel stelt dat onder “feit” i.d.z.v. art. 10a.1 Ow enkel feiten kunnen worden begrepen die - in ieder geval deels - in NL zijn begaan zodat het bewezenverklaarde voorbereiden van het opzettelijk vervoeren van 2 kg heroïne in B niet strafbaar is gesteld bij laatstgenoemde bepaling. Vzv. aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat het in art. 2.1, aanhef en onder B, Ow vervatte verbod om heroïne te vervoeren slechts zou zien op gedragingen in NL zodat het opzettelijk vervoeren van heroïne buiten NL grondgebied niet door de NL wet als een misdrijf wordt beschouwd, kan deze opvatting niet als juist worden aanvaard, aangezien een zodanige beperking niet volgt uit de redactie van die bepaling en daarvoor ook elders geen steun is te vinden (vgl. HR LJN AC4133). Het in art. 2.1, aanhef en onder B, Ow verboden “vervoeren” levert een “feit” op a.b.i. art. 10.3 Ow. De tekst van art. 10a.1 Ow, noch de strekking daarvan bieden grond aan de door het middel voorgestane opvatting dat deze strafbepaling enkel ziet op het voorbereiden of bevorderen van (deels) in NL gepleegde strafbare feiten a.b.i. art. 10.3 of art. 10.4 Ow.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen